Nr. 6 – Klinkers, augustus 2012

De stellige positie die Tombeur inneemt is voor Klinkers aanleiding om hem dieper te laten graven naar de essentie van het begrip ‘federatie’. Hij legt Tombeur vier paragrafen met vragen voor. In de eerste paragraaf wil hij weten of de nrs. 4 en 5 alleen de persoonlijke mening van Tombeur bevatten, of dat die als een heersende leer door federale experts worden gedeeld. In de tweede paragraaf vraagt Klinkers hoever het denken in termen van een federale organisatievorm terug gaat in de tijd. Is het iets van deze of vorige eeuw, of vinden we federale kenmerken al in geschriften van enkele eeuwen terug? De derde paragraaf werpt alvast een licht vooruit op een onderwerp dat later besproken moet worden, namelijk de positie van het Verenigd Koninkrijk in een federaal Europa: zou het Verenigd Koninkrijk, net als nu in het intergouvernementele systeem het geval is, als een los element aan een Federatie Europa kunnen hangen? In de vierde paragraaf gaat het om de vraag waar de drijvende kracht vandaan moet komen om het disfunctionerende intergouvernementalisme bekwaam om te zetten in een federaal stelsel.

European Federalist Papers © Leo Klinkers & Herbert Tombeur, 2012-2013

 

Waarde Tombeur, in dit nummer 6 leg ik een aantal vragen aan je voor. In verschillende paragrafen. Om ze uit elkaar te houden geef ik ze een letter.

Paragraaf  A

Met jouw Papers met nrs. 4 en 5 heb je nauwkeurig beschreven wat een federatie is. En ook wat het niet is. Daarmee zijn alvast een paar misvattingen over de essentie van een federale staatsvorm geëlimineerd. Maar er blijven enkele vragen in de lucht hangen:

  1. Is dit jouw persoonlijke mening of kan die door anderen op goede gronden worden betwist? Of is dit, wat je als kenmerkende eigenschappen van een federatief systeem omschrijft, aan te merken als de heersende leer, wetenschappelijk gedekt door de uitgebreide literatuurlijst aan het slot van onze gedachtewisseling? Dus niet vatbaar voor afwijkende opvattingen?
  2. Duidelijk maken wat een federale organisatie is, wil nog niet zeggen dat die dan ook per definitie de beste vorm van bestuurlijke samenwerking voor de Europese Unie zou zijn. Anders gezegd: waarom zou de Europese burger massaal moeten kiezen voor een federatie? Wat zijn de voordelen boven de huidige intergouvernementele besluitvorming? En kleven er aan een Europese federatie misschien ook nadelen? Daarin zouden we eerlijk moeten zijn.
  3. We hebben het steeds over federale organisatievorm. Niet federale staatsvorm. Aan het begin van Paper Nr. 2 heb ik gevraagd om nader toe te lichten waarom je liever niet spreekt van een federale staatsvorm, maar consequent het begrip ‘federale organisatie’ gebruikt.

Nu enkele andere zaken.

Paragraaf  B

Eerst terug naar Johannes Althusius , door mij aangehaald in Paper nr. 2 en door jou gerepliceerd in Paper nr. 5. Jij ziet hem min of meer als de grondlegger van het denken in federale termen. Maar als geïnteresseerde lezers iets meer willen weten over deze schrijver, dan vinden ze in Wikipedia de mededeling dat Althusius wordt gezien als de grondlegger van het Confederalisme. Vandaar dat ik in Nr. 2 aan jou de vraag stelde of jouw mening over Althusius als voorvader van federalisme door anderen wordt gedeeld. Volgens Wikipedia dus niet. Maar indirect heb je in de eerste alinea van Paper nr. 5 een antwoord gegeven, hoewel de betekenis daarvan eerst niet tot me doordrong. Je zegt daar: “Het gaat niet om de naam van de akte, hoe men ze ook noemt, maar om de verbintenissen die in de akte zijn verwoord.”

Begrippen als ‘akte’, ‘verbond’, ‘overeenkomst’, ‘verdrag’, ‘grondwet’ zijn naar jouw mening niet van essentieel belang voor de karakterisering van een organisatievorm als een confederale of een federale. Het gaat volgens jou om datgene wat men inhoudelijk heeft afgesproken. Niet hoe men het etiket noemt. Daaruit leid ik af dat Althusius’ beschrijving van de door hem gewenste staatsvorm zoveel kenmerken bevat dat jij van mening bent dat je hier inhoudelijk moet spreken van een federaal model. Ook al staat het anders genoemd in Wikipedia. Kun je mijn uitleg van jouw gedachtegang onderschrijven? Zo ja, dan moet iemand de betreffende passage in Wikipedia aanpassen.

Paragraaf C

Ik zit met nóg een probleempje. In Paper nr. 5 stel je dat het een essentieel kenmerk van een federaal verband is dat elk bestuur (het federale en het gefedereerde of deelstatelijke niveau) gelijk is in soevereiniteit en dat alle besturen wederzijds solidair zijn. Als voorbeeld noem je Québec. Ook al bestaat daar een sterke beweging om zich van de Canadese federatie af te splitsen, toch krijgt Québec geen apart statuut. In andere woorden: de essentie van dit aspect is dat in een federatie geen van de delen het eenzijdige recht heeft om op te stappen wanneer men daar zin in zou hebben. Uit de federatie stappen kan alleen als ze dat allemaal goed vinden, dus zowel het federale deel van de Staat als de deelstaten.

Maar hoe zat dat dan met een handvol andere Staten die in 1861 uit de Amerikaanse Federatie van Philadelphia stapten? Waaronder Texas. Na de slag bij Alamo in 1836 maakte Texas zich onafhankelijk van Mexico, met Sam Houston als eerste president. In 1845 trad Texas – na Alaska de grootste Staat en de tweede in omvang van bevolking – als 28e Staat toe tot de Federatie. Waarom pas in 1845? De Noordelijke Staten waren tegen toetreding, omdat Texas pro-slavernij was. Om het economisch en territoriaal belangrijke Texas toch bij de federatie te kunnen krijgen, stond de federale wet, die Texas toeliet tot de Federatie, slavernij toe in Texas (en andere Staten ten zuiden van de Ohio rivier). Na de verkiezing van Abraham Lincoln tot president scheidden zich zeven Staten af van de Federatie en vormden zij in februari 1861 de ‘Confederated States of America’, met Jefferson Davis als eerste president. En met een Grondwet die de slavernij bleef garanderen.

Hoewel Lincoln – op dat moment nog niet in functie – niet bekend stond als een radicaal, was zijn houding tegen de slavernij voldoende voor die Zuidelijke Staten om uit de Federatie te stappen. Paul Brill beschrijft in zijn '1600 Pennsylvania Avenue' hoe Lincoln al in 1858, in een scherp debat met een andere kandidaat-president, Stephen Douglas, zich profileerde als ‘abolitionist’: afschaffer van de slavernij. Dat maakte hem in de Zuidelijke Staten tot een persona non grata. Toen ze vernamen dat Lincoln president zou worden stapten ze dus uit de Federatie.

De op dat moment nog fungerend President James Buchanan maakte de Zuidelijke Staten weliswaar duidelijk dat ze met hun afscheiding in strijd met de Constitutie handelden, maar aanvaardde de nieuwe situatie als een politiek feit waartegen hij niet kon of wilde optreden. In zijn boek 'Alle Presidenten. Van George Washington tot Barack Obama' maakt Frans Verhagen duidelijk dat deze houding President Buchanan volgens alle Amerikaanse politieke historici tot de slechtste van de vierenveertig presidenten van Amerika maakt. Hij werd opgevolgd door de president die volgens alle deskundigen plek nummer 1 bezet: Abraham Lincoln. Lincoln – zo lezen wij bij Verhagen – was persoonlijk tegen de slavernij, maar zag geen grondwettelijke mogelijkheid haar te verbieden. Hij wilde de slavernij indammen binnen de zuidelijke Staten, in de veronderstelling dat zij uiteindelijk zou verdwijnen.

Bij zijn inaugurele rede in maart 1861 stelde Lincoln dat de Constitutie een afscheiding van de Unie niet toestond. Hij was wel bereid de slavernij in het Zuiden te blijven toestaan, maar afscheiding niet. De integriteit van de Unie stond bij hem voorop. Pas in september 1862 keerde hij zich ook frontaal tegen de slavernij. Vanaf dat moment stond de Burgeroorlog, waarvan de eerste schotenwisseling plaatsvond in april 1861, in het teken van het behoud van de federale Unie én in die van de emancipatie van de slaven. De combinatie van een juridische moraal met een menselijke. Uiteindelijk leidend tot een overwinning van het Noorden in 1865. Waarna in december 1865 het dertiende amendement op de federale Grondwet een grondwettelijk verbod op slavernij vaststelde. Na een periode die bekend staat als de Reconstruction, trad Texas weer in 1874 tot de Federatie toe.

De vraag die we in het kader van een juiste karakterisering van een federaal systeem moeten beantwoorden luidt: waar haalden Texas, en die andere Staten, het recht vandaan om uit de Federatie te stappen? Hadden zij ter juridische rechtvaardiging van hun uittreden niet, bij hun toetreden tot de Federatie, toch een specifiek statuut of charter bedongen?

In de informatie waarover ik beschik kan ik geen antwoord op deze vragen vinden. Maar we moeten dit vraagstuk wel oplossen. Om zo duidelijk mogelijk te zijn, herhaal ik mijn probleem nog eens in andere woorden:

  • Essentieel voor een federale organisatievorm is dat geen deelstaat op eigen gezag de federatie kan verlaten.
  • Toch heeft Texas dat in 1861 gedaan, en met Texas nog een handvol andere deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika. 
  • Later zijn ze weer tot de Federatie toegetreden. 
  • Dat leidt tot de vragen: 
    • Had Texas wellicht bij de Toetredingswet van 1845 toch het recht ontvangen om eenzijdig uit te stappen? En die andere deelstaten ook? 
    • Zo ja, hoe essentieel is dan wat ik hierboven stel, dat een deelstaat niet op eigen houtje kan beslissen om uit de Federatie te stappen?

Als wij op deze vragen geen antwoord weten, zouden we dan moeten aannemen dat in dit vroegtijdige stadium van de evolutie van het federale model, rond 1850, eenzijdig uittreden van een deelstaat nog aanvaard werd? En dat pas later het niet-eenzijdig kunnen opstappen een uniek onderdeel van federaal denken is geworden?

Dat ik graag wil weten of het niet-eenzijdig uittreden per se gezien moet worden als uniek element van een federatie komt ook voort uit de vraag wat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië zou doen als de rest van de Europese Unie de stap naar een federatie zet. Stel je voor dat Texas indertijd met een speciaal statuut het recht had ontvangen om zelf te besluiten uit te stappen, als gevolg waarvan we dit element als facultatief moeten beschouwen, dan zit daarin wellicht de enige mogelijkheid voor het Verenigd Koninkrijk om deel te hebben aan een federaal Europa: toetreden tot een Europese Federatie, onder de voorwaarde dat men er op eigen gezag weer uit kan stappen. Met het risico natuurlijk dat andere Staten ook een dergelijk recht claimen. Graag jouw mening hierover.

Paragraaf D

In deze paragraaf wil ik het hebben over de vraag naar de bron, de ziel, de leidende gedachte die tot de keuze voor een federatie leidt. Dat lijkt een beetje op de vragen van paragraaf A, maar daar gaat het mij vooral om nuchtere feiten en argumenten die voor of tegen een federale staatsvorm pleiten. In deze paragraaf D zoek ik naar de schitterende ster waarnaar we opkijken en als vanzelfsprekend volgen in de richting van een federaal land.

Bij het lezen van The Federalist Papers is die ’ster’ helder en duidelijk: liberty. Vrijheid van twee zaken: vrij van een overheersend ander land, in casu Engeland; en vooral ook vrij van een monarch. Ze hadden zich toen al ongeveer tien jaar van de Engelse overheersing bevrijd. Het bewaken en bewaren van die vrijheid bepaalde in alle opzichten het politiek-theoretische denken van die tijd. Alleen als men dat laatste begrijpt kan men doorgronden waarom Hamilton, Madison en Jay zo ongelooflijk veel aandacht schenken aan het belang van een Republic. Voor hen is de federale Constitution synoniem met denken in statelijkheid vanuit het volk en niet vanuit een erfelijke monarchie. Het is daarom goed te begrijpen dat de combinatie vrijheid-federale constitutie-republiek aansloeg bij negen van de dertien Staten aan wie de keuze voor een federaal systeem werd voorgelegd. En daarna aansloeg bij de rest. Immers, in meerderheid waren hun inwoners, of hun ouders, naar Amerika gevlucht voor statelijk of religieus despotisme. De voorgestelde republikeinse Grondwet, gebaseerd op het denken in termen van het volk zelf, beloofde vrijheid.

Terzijde een bijzonder detail. De auteurs van The Federalist Papers maken voortdurend een onderscheid tussen democratie en republiek. Het eerste verwerpen ze, het tweede omarmen ze. Het duurt even voordat je als democraat van de 21e eeuw begrijpt hoe dat in elkaar zit. In die tijd, 1787, werd het begrip ‘democratie’ geassocieerd met pure volkssoevereiniteit, dus met beslissingsrecht van, waarachtig, elke burger. Dat kon alleen in zeer kleine gemeenschappen, aldus de auteurs. Voor zoiets omvangrijks als de Verenigde Staten was dat niet te organiseren. Daarom kozen ze voor een republican vorm. In onze huidige terminologie is dat niets anders dan de representatieve democratie.

Welnu, liberty is dé drijvende kracht geweest voor het middelpuntzoekende ontstaan van de Amerikaanse Federatie: de delen zochten samenhang en solidariteit in een centraal punt. Hoe zit dat nu in Europa? We hebben het middelpuntzoekende karakter gemeen met het Amerika van de 18e eeuw. Kreunend en steunend, vallend en opstaand, proberen zevenentwintig Staten in Europa een gemeenschappelijk middelpunt te organiseren, zonder echter de stap naar het federale dubbelbestuur te durven zetten. Waarom lijkt dat zo moeilijk te zijn? Komt het omdat wij in Europa niet die drang naar liberty hebben? Ontbreekt het dus aan een ‘heilig vuur’ dat als drijvende kracht richting geeft aan vastberaden en overtuigend politieke besluitvorming? Kennelijk is dat het geval. Geen vuur, dus geen energiebron, dus geen kracht, dus geen richting?

We mogen natuurlijk niet vergeten dat er oorspronkelijk wel degelijk een drijvende kracht is geweest om een Europese Unie van de grond te trekken: de wens om nimmer meer in een Europese oorlog verzeild te raken. Misschien moeten we zelfs nog verder terug gaan dan de afkeer van de twee wereldoorlogen van de vorige eeuw. In zijn verbluffend gedetailleerd boek 'België, een geschiedenis zonder Land', beschrijft Rolf Falter negentien eeuwen van geweld, moord, doodslag, verkrachting, uitbuiting en terreur in Europa, toegespitst op dat deel van Europa dat we nu kennen als België en Nederland. Anders dan Noord-Amerika hebben we een verleden van structureel, vanuit de overheid gedreven, geweld. Maar zou dat een bron van verder werken aan gemeenschappelijkheid kunnen zijn? Kennelijk niet. Althans niet in dat deel van Europa waar de lakens worden uitgedeeld. De sterk toegenomen welvaart, plus de jarenlange afwezigheid van enige gewapende strijd in Europa – de Balkan even daargelaten – hebben allang het denken in termen van “We hebben een Europese Unie nodig om oorlog in eigen huis te voorkómen!” doen verwateren.   Er is op dit moment geen diep-doorvoeld idee dat als motor kan fungeren van een politiek overtuigende en maatschappelijk breed geaccepteerde federale staatsvorm. Erger nog: de kleine stapjes die we niettemin voorwaarts gaan, gelet op de voorzichtige uitlatingen van vooraanstaande Europese leiders in de richting van meer politieke ‘integratie’, komen allemaal voort uit de economische crisis. Dus uit iets wat we toch als tamelijk erg moeten beschouwen. Iets negatiefs. Het enige ‘positieve’ zit in de gevleugelde uitspraak ‘Never waste a good crisis.’. Maar als dit soort cynisme de basis moet zijn voor besluitvorming die ons Europeanen een federatie moet leveren, dan bekruipen me de nodige twijfels.

En daarom leg ik wellicht de meest cruciale vraag aan je voor: waaraan zou ‘Brussel’ een drijvende kracht kunnen ontlenen, zoals de Amerikanen die toen hadden in liberty, die hen boven zichzelf en hun bekrompen nationalistische vertrekpunten doet uitstijgen, die de Europeanen vastberaden en overtuigend doen leidinggeven aan de constructie van een federaal Europa?