Nr. 7 – Tombeur, augustus 2012

Tombeur beantwoordt gedetailleerd de vragen die Klinkers stelt in Paragraaf A van Paper nr. 6. Te weten: 1e Is de beschrijving van de essentialia van een federatie een persoonlijke mening, die wellicht door anderen op goede gronden kan worden betwist, of is het de heersende leer? 2e Hoe zou kunnen worden aangetoond dat een federale organisatie de beste vorm van bestuurlijke samenwerking voor de Europese Unie zou zijn? 3e Waarom spreekt hij liever van federale organisatievorm in plaats van federale staatsvorm?

European Federalist Papers © Leo Klinkers & Herbert Tombeur, 2012-2013

 

Ad Paper nr. 6, Paragraaf A

In Paper nr. 6 confronteer je me met een aantal pittige vragen. Of ik ze in alle opzichten naar genoegen beantwoord, moet jij zelf maar beoordelen. In Paper nr. 7 behandel ik de vragen van jouw paragraaf A. Die van paragrafen B en C komen aan de orde in nr. 8. En die van paragraaf D in nr. 9.

Nog even ter herinnering de essentie van jouw drie vragen in Paper nr. 6, paragraaf A:

  1. Is de beschrijving van de essentialia van een federatie mijn persoonlijke mening, die wellicht door anderen op goede gronden kan worden betwist, of is het de heersende leer?
  2. Hoe zou kunnen worden aangetoond dat een federale organisatie de beste vorm van bestuurlijke samenwerking voor de Europese Unie zou zijn?
  3. Waarom spreek ik liever van federale organisatievorm in plaats van federale staatsvorm?

Ad 1. Mijn definitie van federalisme als organisatorisch model ligt in de lijn van de heersende leer. Recente auteurs als Daniël Elazar, Preston King en William Riker hebben over de essentie van het model in die zin gepubliceerd. Federalisme vereist slechts 1° een graad van autonomie van het geheel van de organisatie (het federale bestuur) én een afzonderlijk opererende autonomie van elk deel ervan (de gefedereerde besturen); 2° een of andere interne samenwerking of participatie in de federatie, op gelijke voet – de besturen onder 1° moeten met elkaar communiceren; en 3° een door unanimiteit gewaarborgd autonoom voortbestaan van het geheel en de delen met hun respectieve autonomie.

Het derde kenmerk houdt in dat de interne organisatie van de federatie door geen enkel bestuur eenzijdig kan gewijzigd worden. Noch door het federale bestuur, noch door (een van) de besturen die lid zijn van de federatie (de gefedereerde leden daarvan). Alle besturen moeten instemmen met een eventuele wijziging van de federale organisatie. Of het nu gaat om de bevoegdheidsverdeling tussen de twee bestuurslagen, of om het samenvoegen van leden, het uittreden van een lid uit de federatie of het ontvangen van een nieuw lid. Dit belet niet dat federaties zeer verscheiden kunnen zijn, zoals ik je al schreef. Elke federatie heeft wel een of ander specifiek kenmerk qua structuur of procedures. Maar de drie essentiële voorwaarden die ik op een rijtje zette, moeten altijd vervuld zijn om van een federatie te kunnen spreken.

Ad 2. Welke voordelen biedt een andere bestuursorganisatie die de intergouvernementele besluitvorming in het Europa van vandaag niet biedt? Welke zijn zoal de alternatieven?

In onze correspondentie wens ik me te beperken tot het overwegen van de twee extrêmes. Je komt vanzelf bij een federatie terecht wanneer je de gevolgen overziet van 1° een centraal bestuur voor Europa, respectievelijk van 2° de terugkeer naar het monopolie van de Staten op machtsuitoefening in hun territorium, enkel getemperd door eenzijdig opzegbare verdragen die ze onderling sluiten. Je zult meteen met mij vaststellen dat deze beide bestuursmodellen Europa naar catastrofes zouden leiden. Die rampen, in de vorm van gebrek aan legitimiteit en aan instabiliteit, en in de gedaante van onrecht, onveiligheid en economische achteruitgang, zouden onder de eerste soort bestuur van binnenuit ontstaan, onder de tweede soort Europa van buitenaf beschadigen.

Een centraal geleid bestuur voor elk beleid in Europa zonder Staten zou gewoon niet effectief werken. Het zou geen rekening houden met de verschillende opvattingen over de samenleving in Europa. Het zou evenmin rekening houden met de verschillende waarden die in Europa worden gehecht aan rechtsregels. Zowel qua omgaan met recht in sociale relaties (horizontaal aspect) als qua verhouding tussen recht en macht. Met andere woorden het omgaan van de machthebbers met de rechtstaat (verticaal aspect). Die komt tot uiting bij een vergelijking tussen het Britse rechtssysteem en de continentale systemen die de uitlopers zijn van het Napoleontische recht. Het centrale bestuur zou om dezelfde reden evenmin efficiënt zijn wegens de vele talen die het Europese bestuursmonopolie allemaal zou moeten gebruiken voor elke beleidsactie, op grond van democratische waarden (het principe dat de volkstaal ook de bestuurstaal moet zijn). Om nog maar te zwijgen van de houding van oude naties, aangedreven door emoties, zoals die leven in Nederland, Frankrijk, Polen, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en elders. Opstand tegen zulk monopolie zal niet lang op zich laten wachten. De wereldgeschiedenis leert ons dat imperia niet duurzaam zijn. Imperia zijn Staten die centraal, dus vanuit één machtscentrum, bestuurd worden, tegen de wil in van hun verscheiden bevolking. Europa zou als imperium eerder vroeg dan laat verdwijnen.

Aan de andere kant zou het opheffen van elke Europese besluitvorming die structureel is, zelfs de intergouvernementele aanpak – om elk beleid weer over te laten aan de Staten – vruchteloos ingaan tegen de mondialisering, die je in je eerste Paper zo goed beschreef. Die evolutie, sinds 1945 in toenemende mate, is in Europa precies ontstaan uit de reactie van de internationale gemeenschap tegen het staatsnationalisme, met alle ellende die het gevolg ervan was. Omwille van het onverwerkte oorlogsverleden van Europa – sommige Staten en hun bevolking proberen het te verdringen, zonder succes overigens, want het werkt door tot vandaag – mag het geen risico lopen op het herhalen van de Europese oorlogsgeschiedenis door het terugplooien op de nationale Staten voor alles en nog wat. Omwille van de toenemende mondialisering in economische, politieke en juridische zin, zouden de Europese Staten met het opheffen van elk gemeenschappelijk bestuur enkel zichzelf beschadigen. In vele opzichten is de wereld multipolair geworden, want grote landen in het oosten en het zuiden ontwikkelen zich en laten zich steeds meer gelden op het wereldtoneel, waaronder Brazilië, China, India, Rusland, Turkije en Zuid-Afrika (BRICST-groep). Op deze en andere uitdagingen kunnen de Europese Staten afzonderlijk geen effectief weerwerk meer bieden. Daarvoor zijn de Staten niet kapitaalkrachtig genoeg meer, ze zijn economisch verzwakt, zelfs de grootste vijf onder hen – wat sinds 2008 pijnlijk tot uiting komt met allerlei marktverlies en publieke besparingen.

Waarom dan kiezen voor een Europese Federatie?

In het algemeen is er een democratisch voordeel. Er kan geen machtsmonopolie zijn in een reële, effectief werkende federatie. Hiermee staat of valt alles: zonder een minimale vorm van verticale én horizontale machtsdeling en zonder geweldloze machtsoverdracht, geen federatie. In een federatie moeten er zoveel autonome machtscentra zijn als er gefedereerde besturen zijn, plus het federale machtscentrum voor het afzonderlijk besturen van het federale geheel. Ze vaardigen elk hun rechtsregels uit en hebben elk hun handhavingsbeleid. Indien er geen zelfstandige machtsuitoefening op twee bestuursniveaus is in een Staat die zich een federatie noemt, dan bestaat die federatie enkel op papier. Enkele landen buiten Europa noemen zich federaties, maar als men het functioneren ervan onderzoekt, dan is er slechts één machtscentrum te vinden. Men kan daarom niet anders dan ze te kwalificeren als ‘papieren federaties’. Je kunt iets wel een kikker noemen, maar indien het niet kwaakt, niet springt en niet zwemt als een kikker, dan is het geen kikker.

Federaties houden per definitie in dat ze een (extra) bestuurslaag hebben die dichter bij de burgers staat dan centraal bestuurde Staten. Dat bevordert tevens het reagerend vermogen van het bestuur: hoe kleiner de afstand tussen de besluitvorming en de uit te voeren beleidsopdracht, hoe meer kans op een snelle en effectievere aanpak van de beleidsmatige uitdaging met als benedengrens het risico op belangenvermenging. Uit onderzoek blijkt dat de bevolking haar lokale of regionale problemen gemakkelijker toevertrouwt aan haar niet-nationaal verkozen vertegenwoordigers dan aan die van een ver afgelegen politiek centrum.

Federalisme resulteert extern onbetwistbaar in een ‘win-win’-situatie voor de delen en het geheel. Ludolph Hugo en Montesquieu stelden eeuwen geleden al: samen, als federatie, staan de deelstaten sterker dan elke deelstaat afzonderlijk en meteen waarborgt zij aan de deelstaten hun zelfstandigheid, zoals overeengekomen in de verbondsakte. Staten die hun identiteit claimen en hun bestuur verantwoorden op basis van hun verschil in taal, religie, cultuur, economische structuur, enz., behouden hun autonomie. Gelijktijdig vormen ze één geheel waarin ze hun financiële en andere middelen samenvoegen en waaraan ze een bepaalde machtsuitoefening (soevereiniteit) afstaan, zodat ze samen sterker staan in hun gezamenlijke projecten en tegenover andere Staten.

Federaties creëren een win-win situatie. Er is een cumulatie van de gewenste eenheid en van de gewaarborgde verscheidenheid. Het federale bestuur wordt opgericht met als doel bestuurlijke doelmatigheid en schaalvergroting, zeg maar wederzijdse solidariteit tussen de deelstaten. De deelstaten blijven intact bestaan met hun gekoesterde identiteiten. Een federatie biedt een structurele oplossing voor het aanpakken via samenwerking van uitdagingen, bedreigingen of conflicten tussen gefedereerde staten onderling en tussen hen en derde staten, alsook de waarborg van de diversiteit.

Er is nog een derde voordeel aan de keuze voor een federale bestuursvorm. De werking van de gefedereerde deelstaten leidt tot een zin voor onderlinge competitie. Die focus op concurrentie vloeit voort uit drie kenmerken van het federale verbond, 1° hun gelijkheid qua soevereiniteit en de instrumenten daarvoor; 2° hun ontmoeting op het federale beleidsniveau en 3° hun onvermijdelijke samenwerking. Het dynamisme van de besturen wordt bevorderd door de concurrerende structuur van de deelstatelijke autonomie: het meest effectieve en snelst optredende bestuur wint bijvoorbeeld aan middelen of prestige. Het gaat niet uitsluitend om economische parameters, maar ook om probleemoplossende creativiteit in andere beleidsvelden, zoals onderwijs, welzijn en veiligheid. Een centraal geleide Staat kan niet zoveel kansen op uitwisseling van kennis en ervaring bieden en vandaar kansen op leerprocessen en vergelijkingspunten, want het bestuurscentrum beschikt er over een machtsmonopolie dat initiatief en diversiteit fnuikt.

Zijn er dan geen nadelen aan een federale staatsstructuur? Natuurlijk.

Uitsluitend centraal besturen maakt het voor de bevolking eenvoudig om uit te maken welke instelling of welke bestuurder regelgevend of uitvoerend bevoegd en dus aansprakelijk is voor welke maatregelen. Een dictatuur is de meest duidelijke staatsvorm, maar daarvan willen we niet weten. Dat ligt in een federatie ingewikkelder, want daarin is de diversiteit van regels groter wegens de machtsdeling tussen het federale bestuur en de deelstatelijke besturen. In een federatie verschilt de rechtspositie van de bestuurden naargelang de deelstaat waarin zij verblijven of rechtshandelingen stellen. Zij moeten erg verschillende rechtsregels kennen en daarmee omgaan. Nochtans stelt men via opinieonderzoek vast, bijvoorbeeld sinds 1949 in het federale Duitsland, dat de meeste burgers het behoud van de deelstaten verkiezen boven de overgang naar een centraal bestuurde staatsorganisatie.

Die naast elkaar functionerende besturen maken het ook complexer voor de bestuurders. Vandaar dat een federatie leidt tot bijkomende instellingen om de organisatie te laten werken, in vergelijking met een eenheidsstaat. Er zijn bijvoorbeeld specifieke instellingen nodig voor de beleidsafstemming, de samenwerking en de beslechting van bestuursconflicten, bijvoorbeeld samenwerkingsakkoorden, ministeriële overlegcomités en rechtscolleges. Die naast elkaar opererende besturen vergen overleg voor en na hun besluitvorming, wat niet nodig is in een centraal geleide staatsorganisatie. Die behoefte aan samenwerking is het onvermijdelijke gevolg van de verscheidenheid van machtscentra. Zeker meer dan in een eenheidstaat – met zijn eigen nadelen, bijvoorbeeld een democratisch tekort.

Bijgevolg is aansprakelijkheid voor beslissingen lokaliseren moeilijk, maar dat is niet alleen zo in federaties. Compromissen tússen en zelfs ín besturen veronderstellen steeds een gedeelde verantwoordelijkheid van de deelnemende beleidsmakers, ongeacht het organisatiemodel van het bestuur. Veel zal afhangen van de breuklijnen in de samenleving, van het verkiezingssysteem, van het partijpolitieke landschap, bijvoorbeeld coalities of niet, en van de besluitvormingsprocedures, bijvoorbeeld na een openbaar debat of niet.Welke besluiten kunnen we hieruit nu trekken voor Europa?

Eerst conclusies steunend op de feitelijke situatie waarin Europa zich bevindt.

Europa vertoont een taalkundige, sociale en politieke verscheidenheid, ontstaan uit een bewogen geschiedenis, eeuwenlang. Vandaag vermindert die diversiteit niet. Integendeel, ze neemt sociaal en politiek toe, intern en extern gevoed door een mondiale eenheidsmarkt en door migratie.

De diversiteit ligt intern meer dan ooit politiek gevoelig, bewezen door de defederalisering of de regionalisering van een aantal centraal geleide lidstaten, waaronder België, Italië en Spanje. Zelfs het Verenigd Koninkrijk ontsnapt niet aan die trend ‘downwards’: de ‘devolution’ voert een vorm van territoriale decentralisatie in, ten bate van Noord-Ierland, Schotland, Wales. Is dit geen bewijs dat de Staten die we nu kennen, natiestaten of andere, niet meer optimaal voldoen voor hun bevolking? Naast die institutionele evolutie die bijvoorbeeld in taalkundig verscheiden Staten van Europa intern aangedreven wordt, neemt de diversiteit in alle Europese Staten toe door migratie, binnenin Europa en van buiten Europa.

Extern wordt Europa bedreigd in zijn welvaart, invloed, stabiliteit en veiligheid. Allerlei factoren veroorzaken die bedreigingen, namelijk de opkomst van de BRICST-groep die markten en macht in internationale organisaties opeisen, zoals in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het Internationaal Monetair Fonds, de migratiestromen naar Europa en de turbulenties in en rond het Midden-Oosten, bijvoorbeeld de ‘Arabische lente’.

Enerzijds beletten het eeuwenoude mozaïek van samenlevingen in Europa en zijn erg beladen verleden een centraal bestuur uit één machtscentrum, zoals een multicultureel imperium. Daarvoor is eenvoudigweg geen politiek draagvlak meer. En zulk bestuur zou niet doelmatig noch efficiënt zijn. Anderzijds gaat Europa het meesterschap over zijn eigen lot niet heroveren – het is het verloren sinds 1945 – door terug te keren naar de statelijke onafhankelijkheid of staatssoevereiniteit 'après la lettre'. Die is een mythe geworden sinds ze over een periode van zestig jaar steeds meer aan waarde heeft verloren. Die Westfaalse staatssoevereiniteit zal niet terugkeren, omdat de kolonies niet zullen herrijzen die goedkoop grondstoffen leverden en industrieproducten afnamen van het moederland. De economie is trouwens minder plaatsgebonden dan ooit: de vervoersmiddelen zijn talrijker en verfijnder dan ooit en allerlei diensten worden dikwijls op afstand verleend. Zelfs landbouw- en industrieproducten worden wereldwijd rendabel vervoerd en verkocht. Protectionisme is niet alleen schadelijk, want het roept soortgelijke tegenmaatregelen van het buitenland op, maar ook zinloos geworden. Of zoals Guy Verhofstadt het zegt in de 15e Mandeville Lezing in 2009 aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam: "Protectionisme gaat lijnrecht in tegen elke vezel van het Europese project. In tegen elke Europese logica. De Europese welvaart is precies gebouwd op het overwinnen van elk protectionisme. Omdat we uit het verleden weten dat dit geen oplossing is voor de crisis, maar de crisis alleen maar verergert. Dat was zo in de Grote Depressie. Dat was ook zo vlak na de Eerste Wereldoorlog. Kortom, de weg uit de crisis ligt niet in minder Europa en meer nationalisme, maar juist in meer Europa en minder protectionisme. Europa is niet het probleem, maar dé oplossing."

Ook ik meen dat een federale organisatie van de Europese besluitvorming de mondiale uitdagingen zou beantwoorden waarvoor Europa staat en toch recht blijven doen aan zijn interne diversiteit, dit zelfs op een beter verzekerde manier. Naast de voordelen van dat bestuursmodel, zijn de nadelen ervan duidelijk kleiner dan die van het intergouvernementele systeem. Dit systeem is stervende, zoals blijkt uit het stijgende aantal Europese 'topconferenties' met als enige resultaten de wispelturige beursgang, de oplopende schulden en de toenemende conflicten in en tussen Staten.

In deze situatie ligt het besluit voor de hand dat een federale vorm van bestuursorganisatie ons continent als gegoten past. Het autonoom opererende bestuur op twee niveaus, op een Europees niveau en een Statelijk, biedt de enige uitweg uit de heersende tunnelvisie over de crisis in en van de EU. Een crisis die financieel voortwoekert, economisch toeneemt en institutioneel opdoemt, net door het aanpakken van Europese problemen door Staten – verderop leg ik die intergouvernementele aanpak even onder mijn analytisch fileermes.

Vervolgens de conclusies uit de politieke organisatie die Europa nu laat werken, aangestuurd door een intergouvernementele besluitvorming onder leiding van de Europese Raad.

Volgens mij worden de nadelen van een of andere federatie in de schaduw van het heersende intergouvernementalisme irrelevant. De huidige EU is hoegenaamd geen goed voorbeeld van een eenvoudig en transparant bestuur voor de samenleving. Eerst leg ik de besluitvorming en zijn gevolgen op de ontleedplank en toets die aan transparantie, dan volgt de toets aan de eenvoud.

De toets van de transparantie doorstaat de EU nu niet:

De statelijke agenda's overheersen de 'Europese' besluitvorming in formele en informele raden van nationale ministers. Dat heb je terecht gesteld bij de start van onze correspondentie. En zij doen dat, terwijl de instellingen die het geheel vertegenwoordigen (of dat zouden moeten doen – ik kom hierop later terug), namelijk het Europees Parlement (EP) en de Commissie (EC), aan de kant staan. Beide hebben immers geen toezicht op de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders (ER), die bij consensus de politieke krachtlijnen van de EU bepaalt (de zogenaamde 'conclusies'). En die voorts aan politieke ruilhandel doet. Het EP heeft geen initiatiefrecht qua regelgeving, die ligt bij de EC, die - dat is het toppunt, je raadt al wat .... - zelf intergouvernementeel samengesteld is, want ze telt één Commissaris per lidstaat, en ze werkt dus ook zo. Ik citeer graag wijlen Karel van Miert, oud-Eurocommissaris, toen hij in 2006 een interview weggaf aan het weekblad Knack: "Door per lidstaat één commissaris aan te wijzen, krijg je een structuur waar de nationale belangen van de 25 lidstaten te sterk kunnen meespelen. Sommigen nemen hun taak ernstig en verdedigen het algemeen belang. Maar anderen komen hun spiekbriefjes uit de nationale hoofdstad voorlezen."

De lidstaten participeren ongelijk aan de feitelijke besluitvorming in de formele Europese Raad. En de lidstaten kleiner dan Spanje participeren helemaal niet in de informele bijeenkomsten van leden van de ER die de formele vergadering ervan voorbereiden. Ze worden nadien met de afspraken tussen die (grotere) lidstaten geconfronteerd en door hen onder druk gezet om zich daarbij aan te sluiten. In de Eurozone is dit flagrant het geval rond de schuldencrisis. Zo herinnert de ER mij aan het 'directoire' van ongeveer vijf personen, dat Frankrijk ooit bestuurde (1795-99) met het bankroet van de Staat en de dictatuur van Napoleon tot gevolg - om even bij stil te staan en na te denken, niet?

De Raden van ministers van de EU nemen hun beslissingen nauwelijks bij volstrekte meerderheid (elke lidstaat heeft één stem), maar steevast bij een gekwalificeerde meerderheid (een lidstaat heeft een aantal stemmen, gewogen volgens zijn demografisch en economisch gewicht) – over essentiële zaken als de fiscaliteit zijn zelfs beslissingen bij unanimiteit verplicht. Telkens nodigt die stemmenweging of dat vetorecht de nationale Ministers uit om hun nationale agenda te openen.

De besluitvorming komt steeds achter gesloten deuren tot stand en niet via openbare debatten in parlementen en elders, want diplomatie is voortdurend de techniek.

De diversiteit aan regels en hun procedures brengt hetzelfde verhaal.

De EU-verdragen laten toe dat er 'bij gedifferentieerde besluitvorming' een 'nauwere samenwerking' tussen minstens negen lidstaten tot stand komt (artikel 20, lid 2 Verdrag van Lissabon, onderdeel Verdrag betreffende de Europese Unie). Dit is het zogenaamde Europa van de meerdere snelheden, met het Schengenverdrag als voorbeeld 'avant la lettre' en de Eurozone als kers op de taart. De EU beschikt over een gamma aan bevoegdheden. Niet minder dan vijf soorten (exclusieve, gedeelde, enzovoort). En over een arsenaal aan regelgevende instrumenten (dit is het zogenaamde secundaire recht – de Europese verdragen vormen samen het primaire recht). Namelijk vier soorten bindende rechtshandelingen, vooral de verordeningen, de richtlijnen en de besluiten van de Raad, daarnaast is er een reeks niet-bindende rechtshandelingen.

Een Europese federatie kan toch niet lelijker zijn dan deze meerkoppige draak? Een kat vindt haar jong niet terug in deze institutionele en juridische doolhof. De oorzaak ligt volgens mij in het 'kunnen en moeten, maar niet willen' van de Europese politici om de EU effectief als een federatie te laten werken. Het niet willen zou te maken kunnen hebben met machtswellust, maar ook met angst, met gebrek aan zelfvertrouwen. Nu het Europese kiezersgedrag minder voorspelbaar is geworden.

Dit alles voert mij naar het besluit dat de voordelen van een Europese Federatie gigantisch groot zijn en dat de nadelen te verwaarlozen zijn, vergeleken met de wazigheid en de complexiteit van de huidige EU en de fundamentele gebreken van de intergouvernementele aanpak. Die zijn levensbedreigend voor politiek Europa. Waarop wachten de leden van het Europese Parlement en de Commissarissen om onder het 'directoire' van de regeringsleiders van de grootste lidstaten uit te komen en meteen de krachtlijnen van die Federatie voor te stellen aan de Europese samenleving?

Ad 3. Federalisme kan niet enkel in en tussen Staten worden toegepast, maar in elke soort van organisatie. Federalisme en federale Staten zijn geen samenvallende begrippen. Politicologen, onder wie Daniël Elazar, Preston King en Michael Burgess, hebben benadrukt dat federalisme als dusdanig een bestuursstructuur is die niet per se statelijk en zelfs niet openbaar hoeft te zijn. Elazar wees erop dat federalisme gemeten kan worden in elke organisatie, zelfs in de privé sector. Andere auteurs namen dezelfde stelling in, wanneer zij het model 'federalisme' beschreven en niet de toepassingen ervan, de federaties. Sommige 'joint ventures' zijn of worden federaties van multinationale privé bedrijven. Een organisatie van vakverenigingen kan ook federaal zijn, in Nederland bijvoorbeeld.

Hier citeer ik graag Michael Burgess uit zijn bijdrage 'Federalism and Federations in Western Europe' in 'Origins of the Federal Idea' van hem zelf en S. Rufus Davis: "The federal principle is, above all, an organizing principle, and it follows logically from this that federation is the organizational form which corresponds to this principle. (...) Federalism can be taken to mean ideological position, philosophical statement and empirical fact. (...) (L)et us here take federalism to mean the recommendation and sometimes the active promotion of support for federation. (...) Although, as King notes, there may be federalism without federation, there can be no federation without some matching variety of federalism." Burgess geeft hierin aan wat ik al stelde: er zijn zoveel fenomenen van federalisme als er federaties zijn, publieke organisaties en andere.

Daarom verkies ik te spreken over de noodzaak aan een 'Europese Federatie', van welke naam ook, en niet over een 'federale Staat Europa'. Het vermijden van de term 'Staat' zou erop kunnen wijzen dat een Europese Federatie, die naam beleidsmatig en regelgevend waard, niet noodzakelijk beschikt over het monopolie van dwang en geweld, dat tot uiting komt in de klassiek statelijke functies van interne ordehandhaving en oorlogsvoering. Concreet zou het kunnen betekenen dat de Europese Federatie wel politionele en militaire middelen samenvoegt en deelt, maar dat unanimiteit onder haar lidstaten zou vereist zijn, bijvoorbeeld om een oorlog buiten de Federatie te starten.