Nr. 9 – Tombeur, september 2012

Tot slot behandelt Tombeur de observaties die Klinkers heeft opgeworpen in Paper nr. 6, Paragraaf D: wat zou de bron kunnen of moeten zijn om een Europese federatie te bouwen? De Amerikanen hadden bij het vaststellen van hun federale Constitutie in 1789 één alles overkoepelende bron waaruit ze hun intellectuele energie en daadkracht putten: liberty. Voor Europa speelt dat niet. Wij zijn allang vrij. Maar is er dan een andere bron die ons de kracht kan geven de stap naar een federatie te zetten? Na een diepgaande analyse van drie mogelijke energiebronnen komt Tombeur tot de conclusie dat niet de oorspronkelijke doelstelling van economische vervlechting, noch het streven naar rechtsstatelijkheid doorheen Europa, maar nieuwe mondiale uitdagingen en bedreigingen, zeker ook op het vlak van de handelsbetrekkingen, de nieuwe energiebron tot een federale integratie van Europa moet zijn. Mondiale uitdagingen waar Europa helemaal alleen voor staat.

European Federalist Papers © Leo Klinkers & Herbert Tombeur, 2012-2013

 

Ad Paper nr. 6, Paragraaf D

In een recent interview legt de Franse filosoof André Glucksmann de vinger op verscheidene wonden van Europa. De grootste wonde is dat het niet meer weet waarom het bestaat. Glucksmann stelt, ik citeer: “Het probleem van Europa is zijn passiviteit. Het wil rust. En wie rust wil, is niet meer strijdbaar. (…) Het lijkt mij geen bovenmenselijke inspanning te zijn om een oplossing te vinden voor de financiële crisis. Maar het ontbreekt de Europese leiders aan een globaal perspectief. De bestaansreden van de Europese Unie is zoek geraakt.”

Hiermee komen we tot de kern van het vraagstuk waarmee Europa geconfronteerd wordt: je vraag naar de drijfveer voor een federaal Europa. Welke kracht zou Europa in die richting kunnen stuwen? Indien die drijfveer, die leidende idee er niet is, dan zal er inderdaad geen federaal Europa ontstaan.

Mijn antwoord – beste Klinkers – begint bij de aanpak van de Europese samenwerking vanaf 1950. Geïnspireerd door socioloog professor emeritus Luc Huyse, schrijf ik graag: “Alles gaat voorbij, behalve het verleden.” Het verleden werkt door in het heden. In Europa is dit tastbaar het geval.

Samenwerking en integratie op Europese schaal steunen sinds 1950 op drie politieke drijfveren. Ik ga nu onderzoeken of die politieke energiebronnen vandaag nog actief zijn. De drie oude drijfveren zijn:

  1. Het voorkomen van concurrerende statencoalities of allianties die ontstonden na het Congres van Wenen in 1815 en vooral het vermijden van de heropleving van het antagonisme op het vasteland, vooral dat tussen Duitsland en Frankrijk.
  2. Het beschermen van specifieke waarden, zoals de individuele rechten en vrijheden, de rechtsstaat en de representatieve democratie, ter voorkoming van dictaturen in Europa.
  3. Het beantwoorden van de bedreigingen van binnenin, door het opbouwen van de welvaartstaat, en van buitenaf, in het bijzonder de (vermeende) bedreiging van de Sovjetunie, door het militair samenwerken en samenvoegen, ter bescherming tegen actuele of potentiële vijanden.

Met andere woorden: oorlog ruilen voor vrede, dictatuur ruilen voor representatieve democratie en ellende ruilen voor stabiel groeiende welvaart voor allen, bij middel van economische integratie en militaire samenwerking. Daarin lag de kracht die het Europees integratieproces vanaf 1950 voortstuwde. Duitsland en Frankrijk beseften na 1945 dat hun rivaliteit tot een wederzijdse vernietiging kon leiden. De belangen van hun bondgenoten liepen daarmee gelijk, want ze waren meegesleurd in het conflict. Toch mislukte de oprichting van een Europese Defensiegemeenschap (EDG) tussen de drie Beneluxlanden, Frankrijk, Italië en West-Duitsland met wederzijds engagement om elkaar bij te springen in geval van een aanval van een niet-lidstaat. Het Franse Parlement verwierp het in 1952 ondertekende verdrag tot instelling van die EDG; het wantrouwen tegenover de Duitse Bondsrepubliek was in 1954 blijkbaar nog te groot. Zes Staten kozen voor het project om samen een economische samenwerking en zelfs een politieke ‘integratie’ te organiseren, in die mate dat een conflict gewoon onmogelijk zou worden ingevolge de vervlechting van de economische belangen, vooral de industriële productiefactoren. De ‘integratie’ leidde in bepaalde mate tot één interne markt.

Laten we eens kijken in hoeverre Europa ’s economie zou kunnen fungeren als een energiebron tot federalisering. Welke waarde heeft die premisse nog? De Europese economie als politieke energiebron is volgens mij in hoge mate uitgeput, omdat de industrie zich binnen en buiten Europa heeft verplaatst, vooral oostwaarts en zuidwaarts, ook buiten de EU. De Europese economie is nochtans mondiaal zwakker geworden – de Europese kolonies zijn onafhankelijk geworden en de in te voeren grondstoffen zijn duurder geworden ingevolge politieke oorzaken (het labiele Midden-Oosten) en economische (groeiende vraag door de economische take off elders in de wereld, de BRICST-groep op kop). Dat heeft een wantrouwen in en tussen Europese landen tot gevolg, bijvoorbeeld rond de interne arbeidsmigratie en het fiscale of sociale beleid van de Staten, alsook een gevoel van afhankelijkheid, meer dan alleen wegens de import van petroleum. Voorts is de Europese economie zelf veranderd: hij bestaat relatief minder uit industrie en meer uit dienstverlening; hij is werkelijk gemondialiseerd, dankzij de technologie voor vervoer, met of zonder internet. De bedrijfswereld kent sinds de jaren ’60 armada’s van effectief optredende ‘multinationals’, de politieke wereld nauwelijks.

Kortom, Europa is economisch afhankelijker geworden van de rest van de wereld. Conclusie: omdat Europa nu veel minder meester is van zijn economie dan pakweg een halve eeuw geleden en de welvaart er bleef stijgen, lijkt het heropleven van de puur Europees economische drijfveer voor een Europese Federatie mij nu en straks onwaarschijnlijk. Europa leeft van wereldwijde invoer en uitvoer en dus is protectionisme voor de EU geen basisoptie meer, laat staan voor de Staten, met of zonder natie. En als de EU dan al eens supranationaal een moedige en wervende stap deed, dan zet ze de dwingende wetmatigheden op zijn kop: ze slaat een eenheidsmunt zonder een eenheidseconomie in die monetaire zone te creëren. Politiek ambitieus, maar vreselijk dom, want men heeft de logica op zijn kop gezet: elke economische leer vertelt mij dat een munt de uitdrukking is van een economie en niet andersom.

De tweede mogelijke drijfveer, het waarborgen en het bevorderen van de representatieve democratie en de rechtsbescherming van personen, is sinds de val van de Berlijnse Muur in 1989 Europees verworven. Een dictatuur ten westen van Wit-Rusland is vandaag ondenkbaar geworden. De democratische uitstraling en vandaar de democratiserende magneet die de Europese Gemeenschap, nu de EU, en de Raad van Europa met haar Commissie voor de mensenrechten en haar Hof te Straatsburg, voor de rest van Europa waren, is verworven. Zwak supranationalisme en sterk intergouvernementalisme hebben hun positieve rol gespeeld in het verspreiden van de democratische bestuursvorm en de rechtsstaat, met het Hof in Straatburg als eindverzekeraar. Dat had staatkundige resultaten in Oost-Europa én Zuid-Europa, maar ook reisvrijheid van personen in gans Europa. Totalitaire regimes in en aan de rand van Europa zijn verdwenen, de Sovjetunie incluis, dé toetssteen tijdens de Koude Oorlog voor het democratische Europa. De tweede naoorlogse generatie vindt dit evident. Misschien ten onrechte, maar mijn conclusie luidt alleszins: de drijfveer van democratisering komt helemaal niet meer in aanmerking om in de richting van een federaal Europa te lopen, want zij heeft haar rol vervuld. Deze energiebron is opgebruikt.

De twee bovenstaande drijfveren hebben hun kracht verloren: de eerste drijfveer wegens het verlies aan economische autarkie en de gestaag toegenomen welvaart, de tweede wegens het bereiken van haar doelstelling, democratische stabiliteit. Wat rest er als mogelijke drijfveer?

Een gemeenschappelijke identiteit verenigen, ervan uitgaande dat die Europese identiteit verdeeld is door landsgrenzen, zou in theorie een drijfveer kunnen zijn. Die was er elders in de wereld. De feiten in Europa beletten dit. Europa heeft de grootste cultuurverscheidenheid van de vijf continenten. Op een relatief kleine oppervlakte, in wezen een schiereiland van Eurazië, telt het tientallen talen en verschillende gedragslijnen, steunend op eigen waarden en normen. Religieuze verschillen hebben die sociaal-politieke breuklijnen veroorzaakt, er gelden andere opvattingen en dus ook andere gedragspatronen.

Er is een breuklijn tussen het christendom en de islam in de Balkan. Binnen het christendom zelf zijn er minstens drie groepen met verschillende normen te onderscheiden, namelijk tussen de protestantse gemeenschap, de katholieke en de orthodoxe. Er zijn drieëntwintig officiële landstalen voor de zevenentwintig lidstaten van de EU, maar er zijn ook tientallen regionaal levende talen, met of zonder officieel statuut. Er is amper een tiental Staten in Europa, dat men cultureel homogeen kan noemen, maar daarom nog niet tevreden is met dat territorium. Ik denk meteen aan Centraal-Europa en het vroegere Joegoslavië – de landsgrenzen uitleggen is een lang verhaal, waarop ik in dit bestek niet inga. Maar toch wil ik opmerken dat Europa territoriaal in het verleden leeft, sinds de conferenties van de overwinnaars in Jalta en Potsdam. Uitgezonderd de Oder-Neissegrens tussen Duitsland en Polen en de Staten die ontstaan zijn uit het verdwijnen van Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije en de Sovjetunie. Die kwestie van de landsgrenzen komt verderop weer aan bod.

Dat is nog niet alles wat verscheidenheid betreft. Er zijn ook twee fundamenteel verschillende rechtssystemen in de Europese Staten. Op het vasteland ontstonden nationale rechtsorden met als basis het Romeinse recht en gewoonterecht. Daarop volgde vanaf Napoleon de algemene codificatie in wetboeken. Dat bracht meer rechtsgelijkheid en meer rechtszekerheid, maar met als kostprijs minder verinnerlijking van de rechtsregels bij de bevolking. Op de Britse eilanden ontstond parallel een totaal ander rechtssysteem dat behouden bleef, want daar kwam de Franse Revolutie niet voorbij: recht en wet zijn geen projecties van het ideale, zoals op het vasteland, maar zijn gebaseerd op precedenten, op wat empirisch wijst op concrete behoeften van rechtzoekenden bij onderlinge geschillen. De reizende rechters van de vorst integreerden er het gewoonterecht. Voor de Britten is de tekst van een wet of een verdrag een minimum, een ‘understatement’ voor een doen en laten; voor de ‘continentalen’ is een rechtsregel een maximum, een model van ideaal gedrag (dat dus nooit voorkomt). Daarbij komt dat een geldende rechtsnorm in het orthodoxe Oost-Europa minder waard is dan elders in Europa, omdat machtsuitoefening altijd voorrang heeft, met of zonder nieuwe regels – machthebbers moeten geen rekening houden met enige rechtsregel, ze kunnen hun zin doen. Dat zorgt voor misverstanden in de EU. Het verschil in opvattingen over macht en recht tussen delen van Europa, vertoont zich in het omgaan met het maken van regelgeving en de handhaving ervan.

Alsof dat nog niet genoeg is qua diversiteit, komt daarbij dat Europa vandaag meer Staten telt dan ooit tevoren: als gevolg van de desintegratie van de Sovjet-Unie, Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië ontstonden sinds 1990 achttien nieuwe Staten. Die zijn in de vorige eeuw nooit of nauwelijks onafhankelijke Staten geweest. Die nieuwe of hernieuwde Staten koesteren hun vrij recent verworven of herwonnen onafhankelijkheid – zij denken en handelen volgens vooroorlogse patronen. Dat maakt hen en andere Oost-Europese Staten politiek wantrouwig tegenover de EU, waarvan ze lid zijn geworden of wensen te worden om louter economische motieven. Men zou kunnen stellen dat de staatkundige en diplomatieke diversiteit in Europa nooit zo groot was.

Wat rest er dan als drijfveer? De derde, oude drijfveer, de bescherming tegen een (gewelddadige) bedreiging van buitenaf, lijkt op het eerste zicht ook verdwenen. Maar is dat wel zo? Omdat de Sovjetunie uiteengevallen is? Is de externe veiligheid van Europa sindsdien gewaarborgd, met of zonder Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)? Als men dit zo percipieert, is dat terecht? Zo niet, wat bedreigt Europa dan? Dit lijken mij cruciale vragen.

Vandaag bestaat de militaire samenwerking in de NAVO nog steeds, waaraan ook een aantal landen uit Centraal- en Oost-Europa deelnemen sinds ze onder de hegemonie van de vroegere Sovjetunie zijn uitgekomen. De NAVO werkt intergouvernementeel onder Amerikaanse leiding, al horen de Fransen dat niet zo graag. De eerste vraag die ik mij hierbij stel is of die NAVO een afdoende bescherming biedt, van het gehalte ‘allen voor één, één voor allen’ – velen zijn ervan overtuigd dat dit zo is. Dit blijkt manifest niet zo te zijn, want artikel 5 van het NAVO-verdrag, dat na 11 september 2001 wereldwijd bekend geraakte, bepaalt dat, als een lidstaat aangevallen wordt door een vreemde mogendheid, “de andere lidstaten de maatregelen nemen waarvan ze menen dat ze geschikt zijn”. Er is dus geen automatische solidariteit van alle partners bij een aanval tegen een van de lidstaten van de NAVO! Hoe komt dat? De VS wilden destijds niet zonder eigen beslissingsmacht meegesleurd worden in een conflict tussen Europese Staten en de Sovjetunie. Met andere woorden, als er een NAVO-lid aangevallen wordt door een niet-lid, dan zullen de anderen de zaak eens bekijken… De Europese perceptie kan anders zijn, maar de harde waarheid is: de NAVO garandeert de veiligheid van haar leden nu niet onvoorwaardelijk!

Blijkbaar kijken de Europese politici liever de andere kant op, wanneer de externe veiligheid van hun landen en van Europa als geheel wordt gesteld. Pijnlijk duidelijk werd het Europese onvermogen om zonder de VS tussen te komen in een oorlog in de achtertuin, namelijk tussen delen van Joegoslavië – dat land ontstond in 1919 onder Amerikaanse druk, ten koste van Oostenrijk-Hongarije en van de onafhankelijke koninkrijken Servië en Montenegro. Een oorlog tussen de naties in Joegoslavië die voorkomen had kunnen worden, indien de elf EU-partners het voorstel van het Nederlandse voorzitterschap in 1991 hadden aanvaard om de grenzen van de Joegoslavische deelstaten niet zonder meer als internationale grenzen te aanvaarden, maar over grenswijzigingen te overleggen en te onderhandelen. De NAVO had eerst geen interesse voor Joegoslavië, wel voor de politieke evolutie in de Sovjetunie. Met als gevolg dat die oude naties jarenlang streden om de grenzen van hun jonge Staten af te bakenen, totdat de NAVO onder Amerikaanse leiding orde op zaken stelde. Overigens zonder er een duurzame vrede te vestigen, kijk maar naar de nieuwe Staten Bosnië-Herzegovina en Kosovo. Vind ook jij dit als Europeaan niet beschamend? Europa moet toch zelf voor de veiligheid op zijn grondgebied of in zijn buurt kunnen zorgen? Europa doet wat, daar niet van. Sinds 2005 draagt het Europese Defensieagentschap (EDA) bij tot enige samenwerking voor meer militaire slagkracht, maar dit is louter vakkundig en economisch, niet politiek.

Ik keer nu terug naar 1945 en de erop volgende decennia om de houding van de VS tegenover Europa even onder de loep te nemen. Die transatlantische relatie is immers van cruciaal belang om de situatie van Europa in de wereld te kunnen beoordelen. Nog wat militaire voorbeelden van die verhoudingen komen eraan. Ik laat daarbij de conflicten terzijde, die buiten Europa werden en worden gevoerd, onder leiding van de VS en met Europese steun op het terrein. Ik voeg daarbij tevens voorbeelden die politiek en economisch getint zijn.

Vooreerst lieten de VS in 1944-45 toe dat het Sovjetleger tot in het hart van Europa oprukte (het kwam pas op een paar honderd kilometer van de Rijn tot stilstand), hoewel de VS over de militaire middelen, inclusief het atoomwapen, beschikten om dat te verhinderen. Hierdoor, en door de houding van de VS, maar ook van het Verenigd Koninkrijk in Jalta en Potsdam die de militaire toestand politiek bevestigden, werd Europa politiek doorsneden. Zeg maar opgedeeld, als was het een verkaveling. Niet enkel Duitsland werd de facto verdeeld. Het nieuwe imperium, de VS, het oude imperium buiten Europa, het Verenigd Koninkrijk, en het nog oudere imperium, de Sovjetunie als opvolger van het tsaristische Rusland, verdeelden Europa in twee invloedsferen. Europa werd in twee delen gesplitst, het ene deel kwam onder het Amerikaanse imperium en het andere onder het Sovjet-Russische. Die imperiaal opgelegde verdeling heeft geleid tot politieke stabiliteit en gewapende vrede in Europa, niet de voorwaardelijke bescherming van de NAVO met zijn artikel 5.

In zijn boek 'After Tamerlane' stelt de Briste historicus John Darwin: "The result was the creation of an American 'system' imperial in all but name. (...) In Western Europe, America built an empire 'by invitation' - in the striking phrase coined by Geir Lundestad. (...) The huge zone where America provided - or imposed - its strategic protection ... overlapped with the sphere of the new international economy of which America was the pivot. Together they formed the Pax Americana."

De VS vonden dit blijkbaar decennialang goed. Zij wilden duidelijk die territoriale scheiding, want zij bevestigden herhaaldelijk hun positie. Bijvoorbeeld door hun stilzitten en stilzwijgen toen Oost-Duitsers (1953), Hongaren (1956) en Tsjecho-Slowaken (1968) in opstand kwamen tegen de Sovjets. Bovendien vernederden de VS de Britse en Franse bondgenoten in de Suez-crisis – waarmee ik niet wil zeggen dat ik dat beleid van onze buurlanden in Egypte goedkeur, en steunden ze de Egyptische president Nasser, terwijl de Sovjets intussen bezig waren de opstand in Hongarije neer te slaan. Laat me opnieuw John Darwin citeren: “In the 1950s it [the Pax Americana] was consolidated rapidly, though not without friction. A critical year was 1956. Washington’s refusal to help the Hungarian revolt against Soviet hegemony marked a tacit acceptance of the European partition of 1945-8.  Almost simultaneously, by forcing the British and French (through financial pressure) to abandon their effort to destroy Nasser’s regime, Washington served notice that its European allies must manage what remained of their imperial space in ways that conformed with its grand design.”

In 1966 bleek dat de VS voorrang gaven aan hun relaties met de Sovjetunie: ze gaven het NAVO-project ‘Multilateral Forces’ (MLF) op (dat betrof het meer evenwichtig beschikken over kernwapens en beslissen over het inzetten ervan), omdat het geplande non-proliferatieverdrag tussen de VS en de Russen op de helling kwam te staan. Om deze voorbeelden van het Europees onvriendelijke beleid van de VS qua externe veiligheid af te sluiten, herinner ik aan de weigering van President Bill Clinton om in 1994 aan Hongarije, Polen, Slowakije en de Tsjechische Republiek (de vier zogenaamde Visegradlanden) het lidmaatschap van de NAVO toe te staan en aan zijn alternatief voorstel om hen te laten deelnemen aan het project ‘Partnership for Peace’, samen met Rusland. Wat moeten deze landen, die zoveel geleden hebben onder die grote buur, daarvan gevonden hebben? Zouden ze zich niet verlaten en verraden hebben gevoeld?

Nu hoor ik je zeggen: ja maar, de VS hebben Europa humanitair en economisch toch geholpen met het Marshallplan in 1948? Akkoord, maar daarbij deden Amerikaanse bedrijven ook weer hun eigen voordeel, net zoals de VS ook daarom tijdens de twee wereldoorlogen in Europa tussenkwamen – West- en Zuid-Europa waren eerder geïndustrialiseerd dan de VS en ze hebben ijsvrije zeehavens. De Amerikaan Robert Kaplan zal me met zijn meest recente boek, getiteld ‘De Wraak van de Geografie’, hoegenaamd niet tegenspreken.

Dat de VS hun eigen economische belangen radicaal voorop stellen, ook als die schadelijk zijn voor Europa, blijkt duidelijker uit latere acties. In augustus 1971 kondigde de Amerikaanse President Richard Nixon twee maatregelen aan om de economie en de arbeidsmarkt in de VS te ondersteunen, die een negatieve weerslag hadden in de rest van de wereld: 1° het verhogen met 10% van invoerheffingen met als gevolg schade aan de export vanuit de rest van de wereld naar de VS, dus ook die vanuit de Europese Gemeenschap (EG, opgevolgd door de EU) en 2° het schorsen van de wisselkoers van de dollar tegenover een hoeveelheid goud. De tweede actie betekende niet enkel dat de VS hun munt de facto devalueerden, maar ook dat ze het internationale muntsysteem, steunend op de akkoorden van Bretton Woods met de gouden muntstandaard, eenzijdig stop zetten. Toen de EG de verhoging van de invoerbelastingen in strijd verklaarde met de verdragen inzake handelstarieven (Eng.: ‘GATT’), bevoordeelden de VS de ene EG-lidstaat ten koste van andere lidstaten.

Amper twee jaar later gebruikte de Arabische wereld voor het eerst zijn ‘oliewapen’, naar aanleiding van de zoveelste gevechten in het Midden-Oosten (Jom-Kippoeroorlog): de Arabische landen stelden een uitvoerembargo van ruwe olie in en dreven de prijs ervan op. De VS doorkruisten het project van een energie- en nabuurschapsbeleid dat de buitenlandministers van de EG eind 1973 wilden ontplooien, te beginnen met een conferentie tussen de olieproducerende landen (OPEC) en de importerende EG. De VS beletten dat plan door de EG te verdelen en ze organiseerden zelf een conferentie van de meest verbruikende landen alleen, in Washington (1974). Frankrijk, dat dwars lag met eigen voorstellen, werd onder druk van de VS in de steek gelaten door de andere EG-lidstaten. ‘Verdeel om te heersen’ is een spreekwoord van de oude Romeinen. De strategische reden van de VS om zo op te treden was natuurlijk het behoud van hun quasi monopolie inzake energiewinning in die regio van de wereld.

Maar geopolitieke veranderingen mogen niet uitgesloten worden. Nu, tijdens deze economisch-financiële crisis in het Westen, beweren de VS dat zij binnen enkele jaren de olie en het gas uit het Midden-Oosten niet meer nodig zullen hebben, ingevolge het winnen van gas uit leisteen, het zogenaamde schaliegas. Dit schaliegas vormt er al de helft van de gasproductie. Dat leidt ertoe dat de aardgasprijs in de VS viermaal lager ligt dan in Europa. Polen volgt als een van de eerste Europese landen waar schaliegas geproduceerd wordt. Met Eurocommissaris De Gucht zeg ik dat die Amerikaanse zelfstandigheid voor fossiele brandstof geopolitieke beleidswijzigingen zal veroorzaken. Het zou mij niet verwonderen dat het machtsvacuüm dat de VS in het Midden-Oosten eventueel zouden achterlaten, er tot instabiliteit van landen en regimes zal leiden, maar ook kansen zal bieden. Hoe zal Europa daarop reageren? Verdeeld of eensgezind? Met welke middelen?

Een politieke kwestie die de VS met economische sancties tegen de Sovjetunie wilden beantwoorden, was de staatsgreep in Polen eind 1981 en het verbod op de vrije vakvereniging Solidarnosz. De EG, onder leiding van de Duitse Bondsrepubliek, wilde niet weten van een harde aanpak van Polen en de Sovjetunie. Ze beperkte haar sancties tot het opschorten van economische hulp aan Polen en tot een verhoging van de importheffing op Sovjet-Russische invoer. Toch gingen de VS door met hun hardere economische sancties tegen Polen en de Sovjetunie.

Zijn deze tijden niet voorbij, zal je me vragen? Ik vrees van niet. Vergeet namelijk niet de oorsprong van deze Amerikaanse houding tegenover Europa. In de aanloop van Amerika’s deelname aan WO II ontwikkelde president Franklin Delano Roosevelt een uitzonderlijke hekel aan het reeds eeuwen bestaande kolonialisme van Europese landen, dat van Frankrijk in Indochina voorop. Hoewel de Verenigde Staten door de jaren heen zelf ook andere landen met geweld hadden veroverd – dus ook boter op het hoofd hadden – citeert Frederik Logevall in zijn ‘Embers of War: The Fall of an Empire and the Making of America’s Vietnam’ een uitspraak van Roosevelt in maart 1941: “There has never been, there isn’t now, and there never will be, any race of people on earth fit to serve as masters over their fellow men … We believe that any nationality, no matter how small, has the inherent right to its own nationhood.”

Dit was een van de vele statements van Roosevelt, nog voor Pearl Harbor, waaruit zou blijken dat de VS – zichzelf ooit als kolonie bevrijd van Engeland – na de oorlog zouden ijveren voor volledige onafhankelijkheid van de koloniën van de Europese landen. Sterker nog, dit was de basis voor het Atlantic Charter van augustus 1941, het Handvest waarmee Roosevelt en de Britse premier Churchill, met enige tegenzin, want hij wilde het British Empire niet verliezen, de politieke basis legden voor dat naoorlogse streven naar totale onafhankelijkheid van de koloniën, en waaruit vervolgens de Verenigde Naties werden geboren.

Maar …, nu komt het punt dat ik wil maken: achter het innemen van deze moreel achtenswaardige positie van Roosevelt school een verborgen agenda. Wegens zijn opvallende pogingen om het Franse Indochina zo snel mogelijk onafhankelijk te maken, dook de Franse Vichy-overheid wat dieper in deze materie en rapporteerde daarover, ik citeer Logevall opnieuw: “The report charged that American business men favored decolonisation mostly in order to gain access to raw materials and markets, so as to maximize profits and to maintain production after the war. The basic aim seemed to be ‘an open door for merchandise as well as capital’. (…..) The open door would favor powerful Americans over European competitors.” Het liberaliseren van de naoorlogse wereldmarkt was blijkbaar de Amerikaanse drijfveer.

Wellicht moeten we in deze gebeurtenissen de oorsprong zien van Amerika’s houding van ‘onze belangen eerst’. Zich daarbij moreel gesteund voelend door een te rechtvaardigen strijd tegen kolonisatie. Waarom zouden we moeten aannemen dat Amerika deze houding morgen laat varen? Is deze geschiedenis geen voldoende les voor de Europeanen om ze ongerust te maken en daaruit de passende conclusies te trekken?  

Dit is nog niet alles wat zorgen zou moeten baren in Europa – er is meer, veel meer. Naast het externe beleid van de VS, overschouwd met Europese ogen, is er een recente evolutie in de VS en in Azië bezig, die Europa in zijn huidige situatie extra bezorgd moet maken. De VS zijn economisch en politiek verzwakt, omdat zij een gigantische openbare schuld hebben opgebouwd, sinds ze decennialang oorlog na oorlog hebben gevoerd en de bankencrisis er is uitgebroken. Die schuld staat vooral uit bij Aziatische landen. Oost-Azië kent echter weer internationale spanningen wegens grondstoffen in en onder de Chinese zee, waarvan de maritieme grens tussen Staten als China, Japan en Korea wordt betwist. Dit alles zou ertoe kunnen leiden dat de VS zich van Europa afwenden en hun beleid meer op dat van Aziatische landen gaan afstemmen dan op het beleid van Europa.

Terug naar de Koude Oorlog en de periode erna, voor enkele overwegingen los van de VS. Het Europese integratieproces werd van 1945 tot 1990 versterkt door de externe factor van de bedreiging die zou uitgaan van de Sovjetunie. Die externe factor ten gunste van een federatie lijkt met de Sovjetunie zelf verdwenen te zijn. Maar is dit zo? Volgens Glucksmann en mij niet. Het Poetinese Rusland is wat mij betreft geen goed voorbeeld van democratie en van politieke en economische stabiliteit. De Russische Federatie schuwt trouwens geweld aan zijn grenzen niet, zoals blijkt uit de conflicten, vooral in de Kaukasus, Georgië inbegrepen.

Dit Rusland baart Europa alleszins weer economische zorgen: het volgt de strategie van het ‘verdeel om te heersen’ in de energievoorziening – Duitsland en Italië komen elk apart met Rusland een onderzeese toevoerlijn van gas overeen, ondanks het verzet van andere EU-lidstaten. De houding van Rusland moet ook vragen oproepen in heel Europa op het vlak van de internationale handel: volgens Eurocommissaris Karel De Gucht komt de Russische Federatie zijn verbintenissen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) niet na, bijvoorbeeld wat het Europese invoerrecht voor bepaalde producten betreft. Rusland is nochtans in augustus 2012 lid geworden van de WTO.

Stel dat Rusland geen bedreiging meer is voor Europa, zijn er dan geen andere bedreigingen of uitdagingen dan Rusland in de buurt? Ooit zei iemand dat wie Afrika beheerst, Europa beheerst. Geopolitiek is dat zo: het oostelijke deel van de Middellandse Zee met het Suezkanaal is nog altijd even belangrijk voor de aanvoer van grondstoffen en producten. Hetzelfde geldt voor Marokko aan de andere kant van die binnenzee, dat de in- en uitgang ervan mee beheerst. Welnu, de situatie in dat deel van de wereld, aan de Europese stoep is, zoals je weet, niet stabiel. In en achter die oostelijke Middellandse Zee blijven spanningen of conflicten actueel, na de ‘Arabische Lente’. Ook voordien was dit zo: van Algerije tot Irak via Cyprus, Israël en zijn buurlanden. Ze houden risico’s in voor de handelsroutes en de energielijnen tussen Azië en Europa. Een diepgravende analyse hiervan vinden wij bij Robert Kaplan in zijn boek Moesson, de Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten. Bovendien zetten spanningen, conflicten en armoede mensen uit die regio en uit de rest van Afrika ertoe aan om naar Europa te emigreren met de hoop op een beter bestaan. Ook dit internationale fenomeen, uitgebuit door mensenhandelaars, draagt bij tot spanningen in Europa en tussen Europa en zijn geopolitieke buren.

Zo heb ik de vijandige of concurrerende omgeving geschetst ik waarin Europa kortgeleden leefde en nu leeft. Europa blijft volgens mij geconfronteerd met zowel interne als externe risico’s die sociaal, economisch, politiek en militair van aard zijn. De actuele uitdagingen betreffen in een paar kernwoorden uitgedrukt stabiliteit en veiligheid. Het verdwijnen van de Sovjetunie mag niet tot het naïeve besluit leiden dat die thema’s op Europees niveau van de politieke agenda moeten worden afgevoerd. Integendeel, ze moeten op de Europese agenda blijven staan, want precies zulke externe bedreigingen werden herhaaldelijk beantwoord met de vorming van federaties, bijvoorbeeld de VS.

Samengevat, aan de buitengrenzen van de EU bestaan er uitdagende situaties die een gevaar inhouden voor de welvaart, de interne stabiliteit en de veiligheid van Europa. Of Europa dit nu wil of niet, ze hebben er al een weerslag en die zal niet ophouden.

Daarom ben ik ervan overtuigd dat de oude drijfveer van wederzijdse versterking tegen externe uitdagingen overeind gebleven is: Europa zal voor zichzelf moeten opkomen want een andere macht zal dat niet voor Europa doen – nu al, op dit moment, is de welvaartstaat er stervende, dit stel ik samen met Mario Draghi, voorzitter van de Europese Centrale Bank. Om die uitdagingen aan te gaan, is Europese solidariteit meer dan ooit nodig en die kan slechts in een organisatie als een federatie doelmatig zijn. Een federatie maakt van een crisissituatie een ‘win win’ situatie: wat aan middelen, materiële en andere, nodig is om samen te voegen ter versterking en ter besparing, weldegelijk samenvoegen, niet meer en niet minder – die doelstelling van efficiëntie heeft Europa volgens mij in 1991-92 uit het oog verloren. Ja, de Europese Federatie zou zelfs een betere uitgave van de NAVO kunnen zijn, met twee kernmachten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Waarop wachten we om die energiebron aan te spreken onder de leuze ‘Versterken door verenigen’? Met als doel Europa welvarend en veilig te houden in deze multipolaire wereld die in razende vaart aan het veranderen is. Europa zal zich moeten handhaven. Dat kan niet door die buitenwereld te negeren, omdat men met rust gelaten wil worden – ‘rust roest’ zegt het spreekwoord – wat Glucksmann terecht opmerkt, maar door te hervormen, namelijk door te federaliseren, dit wil zeggen: wat daarvoor nodig is aan menselijke en andere middelen op Europees niveau samenvoegen – ‘Empowerment of Europe by self reliance’!

Hoe? Door een eigen beleid te gaan voeren, op economisch, sociaal en militair gebied, en zich zo affirmatief te laten gelden, niet als een supermacht, maar als een zelfbewuste macht in deze wereld van 2012, die al lang de wereld van 1945 niet meer is, laat staan die van 1815. Ook Glucksmann denkt er zo over; hij stelt: “Een beschaving steunt niet noodzakelijk alleen op wat gemeenschappelijk is. Aan de oorsprong ervan kan ook een poging liggen om het kwade buiten te sluiten. (…) Als de oude Europese natiestaten zich niet verenigen en front vormen, zijn ze gedoemd. (…) Het is in deze tijd van globalisering absoluut noodzakelijk om als één blok op te treden.”

Ik voel mij in deze opvatting alleszins gesterkt door enkele recente – min of meer gelijkluidende – observaties van twee Nederlandse politici. Op 3 september 2012 sprak Eurocommissaris Neelie Kroes in gesprek met het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) woorden als: “Geen enkel land, ook Nederland of Duitsland niet, kan zich in het mondiale geweld door opkomende economieën alleen staande houden. Samenwerking binnen Europa is daarvoor nodig.” Zij stelt verder: "We hebben een kroonjuweel in handen met de Europese interne markt. Het vrije verkeer van personen en goederen binnen Europa is uniek in de wereld. Andere landen proberen dit versneld in te lopen. Het idee van 'we redden het wel in ons uppie' is niet reëel".

En wat te zeggen van dit citaat uit de Montesquieu Lezing door demissionair Staatssecretaris Ben Knapen, begin september 2012: “Wij zullen alle zeilen moeten bijzetten om onze waarden en belangen, onze welvaart ook, te verdedigen en te bevorderen in een wereld met snel opkomende machten. In de eerste halve eeuw was een ‘ever closer union’ het middel om het doel - geen onderlinge oorlogen meer - te bereiken. Nu zie ik een ander middel, namelijk een ‘ever stronger union’ om een nu eigentijdser doel - namelijk bescherming van waarden en belangen - te bereiken.”

Om Europa ook zijn waardigheid, zijn gevoel van eigenwaarde, terug te geven moet het zich op dat niveau doelgericht verenigen. Ik vraag je: gaan we als Europeanen blijven kiezen voor het pad langs de zevenentwintig en meer Staten, dat naar de ondergang leidt? Het verval van Europa wordt al wereldwijd opgemerkt en in rekening gebracht. Bijvoorbeeld middels het negeren van de EU en haar Lidstaten door niet-Europese delegaties, waaronder leden van de BRICST-groep tijdens de laatste milieu- en ontwikkelingsconferentie Rio+20. Dus moet Europa de krachten bundelen, om zijn lot weer in handen te nemen. We moeten dringend kiezen voor die verandering die Europa naar een beloftevolle toekomst leidt. Investeren in verandering vraagt inspanningen. Bundelen van onze Europese krachten die nu verdeeld en dus zwak zijn. ‘Change’ op zijn Europees: een berg gaan beklimmen, daarvoor met de nodige middelen uitgerust, om op de bergtop een prachtig uitzicht te krijgen op het beloofde continent en dan af te dalen naar zijn valleien om er de vruchten te plukken. Dat is het toch wat we nodig hebben en dus moeten en willen bereiken? Waarvoor we moed moeten opbrengen. Juist. Investeren om te oogsten. De naties van Europa hebben dat elk afzonderlijk de voorbije eeuwen gedaan, in en buiten Europa. Waarom zouden ze dat nu niet samen doen?