Nr. 11 – Klinkers, september 2012

Alvorens verder te gaan met inhoudelijke observaties over federalisering vindt Klinkers het verstandig om eerst na te gaan hoe het komt dat vele eerdere pogingen mislukten om van de Europese Unie een federatie te maken. Hij neemt de lezer mee naar het multidisciplinaire terrein van de bestuurskunde om aan de hand van concepten uit de cybernetica en systeemleer te verklaren welke systeemfouten aan het huidige intergouvernementele systeem kleven, waardoor het naar zijn mening klinisch dood is. En waarom elke poging om vanuit dat systeem zelf te proberen een federaal concept te ontwerpen per definitie ook weer zal mislukken.

European Federalist Papers © Leo Klinkers & Herbert Tombeur, 2012-2013

 

Hopelijk hebben wij genoegzaam het wezen en de superioriteit van een federale bestuursvorm uitgelegd. Nu staan wij voor de taak om duidelijk te maken hoe de huidige Europese Unie haar vrijheid, veiligheid en geluk (het recht van elke burger tot pursuing his happiness) – sleutelwoorden waarmee The Federalist Papers het federalisme toejuichen – met een federale bestuursvorm kan verzekeren. De centrale vraag luidt: hoe komt de Europese Unie aan een federale bestuursvorm? Daarna de vraag: hoe ziet die er dan politiek-juridisch instellend (constitutioneel) en organisatorisch (institutioneel) uit?

Voor het beantwoorden van de centrale vraag is het goed om eerst te analyseren hoe het toch komt dat het steeds mislukt. Luuk van Middelaar – het is eerder al aangehaald – beschrijft nauwgezet hoe vaak er pogingen zijn gedaan om de Europese Unie te laten federaliseren. Vanuit het perspectief van het begrip subsidiariteit – een onderwerp dat in een ander Paper zal worden behandeld – geeft ook Éva Bóka (eveneens eerder aangehaald) een opsomming van de mislukkingen en hun achtergronden.
Beiden maken duidelijk waarom het mislukte; er zat altijd wel iemand of iets dwars. Maar als je hun publicaties doorneemt op exact dit onderwerp, dus alleen lezen wanneer een poging tot federalisering mislukte en wie of wat daaraan debet was, dan zie je dat die zeer verschillende mislukkingen in één opzicht allemaal gelijk zijn: alle pogingen tot federalisering komen uit het intergouvernementele systeem zelf voort. Dus ze emaneren uit een stelsel dat in zichzelf ‘zwak, ziek en misselijk’ is.

Dat verklaart veel over de oorzakelijke achtergrond van het stelselmatig mislukken van pogingen tot federaliseren. Je kunt niet van een bestuursvorm die Europese gezamenlijkheid nastreeft, maar die qua besluitvorming werkt vanuit nationale belangen, dus uit apartheid, verwachten dat die kracht produceert. Dat lukt niet. Dat was precies de reden waarom Hamilton, Madison en Jay de Conventie van Philadelphia in 1787 ombogen naar het ontwerpen van een federale constitutie – en dus niet naar een aanpassing van het confederale verdrag: ondanks hun soms conflicterende persoonlijke meningen begrepen zij dat een regelmatig bijeenkomen van Staten – binnen de Europese Unie in de vorm van de Europese Raad en de Raden van Ministers van de EU – niet kon werken om in gezamenlijkheid te beslissen, zolang je er geen orgaan boven zou zetten met een eigen beslissingsmandaat, niet hiërarchisch, noch concurrerend of botsend met dat van de deelnemende Staten.

Als een bestuursvorm a) steeds weer streeft naar een andere, vermeend betere bestuursvorm omdat men merkt dat de vigerende vorm niet deugt, en b) steeds weer in dat proberen faalt, dan zal men vroeg of laat moeten (h)erkennen dat het systeem zelf deficiënt is. En dan moet je dus ophouden om steeds vanuit het intergouvernementele systeem te proberen de federale bestuursvorm te zoeken. Die vind je niet. Want daarvoor heb je niet de juiste navigatie-instrumenten. Het middelencomplex waarmee men een confederaal systeem als de Europese Unie heeft gebouwd en aanstuurt, is van een andere soort dan het complex van instrumenten dat men moet aanwenden om een federatie te creëren en in stand te houden.

Zoals elk systeem trekt ook het intergouvernementele zijn eigen soort mensen aan. Wie zien we acteren als dominante mensensoorten op het Europese toneel? Juristen en politicologen. Zij draaien aan de knoppen van de intergouvernementele structuur en procedures. Economen doen ook wel mee, maar meer inhoudelijk, vooral gericht op monetaire en financieel-economische kwesties. Niet zozeer in onderwerpen van staatkundige vormgeving.

Ik bestrijd niet de geldigheid van de aanwezigheid van juristen en politicologen op dat toneel. Het juridische domein is rijk geschakeerd met vele, verschillende leerstukken. En omdat recht, rechtvaardigheid en rechtmatigheid een conditio sine qua non zijn voor vrijheid, veiligheid en geluk (net zoals Clinton Rossiter, redacteur van de 1961-editie van The Federalist Papers inzag), hebben juristen alle reden om op dat toneel aanwezig te zijn. Voor politicologen geldt dat ook wel, maar mijns inziens in mindere mate. Zij bestrijken bepaald niet een zo rijke schakering van leerstukken als het geval is in het juridische domein. En ze neigen naar mijn smaak te snel naar eenzijdige verklaringen voor politiek gedrag, door het verloop van politieke besluitvorming terug te voeren op de uitoefening van macht. En die verklaring dan te gebruiken als excuus wanneer die besluitvorming tot ongewenste resultaten leidt. Alsof er in het politieke ambt niet meer is. Zoals kennis, wetenschap, ervaring, ratio, overtuiging, argumentatie, advies, wijsheid, behoorlijk bestuur en niet te vergeten de eis van rechtsstatelijk handelen. Je komt noties over dat soort besluitvorming-sturende aspecten niet vaak bij politicologen tegen. Maar dat terzijde.

Wie zien we echter niet op het intergouvernementele toneel, althans zeker niet als dominante soort? Bestuurskundigen. Anders dan juristen en politicologen bestrijken die niet een monodiscipline, maar bekijken ze de structuur en het functioneren van een overheid vanuit een amalgaam van diverse deelwetenschappen, zoals onder meer bestuurswetenschap, staatsrecht, politieke wetenschap, cybernetica, systeemtheorie, wetenschapsmethodologie, filosofie, sociale psychologie, communicatietheorie en managementtheorie. Tenzij ik mij vergis, nemen zij binnen het intergouvernementele huis geen gezaghebbende posities in. En daarom vinden we in de literatuur voor het verklaren van het mislukken van aanzetten tot federalisering van het huidige systeem hoofdzakelijk juridische, dan wel macht-gerelateerde verklaringen. Geen multidisciplinair gedreven interpretaties.

Bestuurskundigen – en vooral de bestuurskundigen die hun academische kennis werkelijk in praktijk brengen binnen een overheid – kijken namelijk met heel andere ogen naar de overheid. Zeker zij die het disfunctioneren van zo’n intergouvernementeel stelsel primair vanuit de cybernetica en systeemleer benaderen. Het eerste wat je dan zoekt zijn de systeemfouten. Dat zijn fouten die zo ernstig zijn dat ze uiteindelijk het systeem ten val brengen. Ze zijn niet herstelbaar. Sterker nog: elke poging tot reparatie verergert het foutieve karakter. Eerst haalt men even opgelucht adem, maar al snel blijkt dat de reparatie slechts een korte termijn effect heeft, waarna de ellende zich – versneld en vermeerderd – verspreidt. Om ten slotte te moeten vaststellen dat het systeem is overleden. Of, in ons geval, klinisch dood is.

Over welke systeemfouten hebben we het hier? Laat ik mij beperken tot enkele, in elkaar overlopende defecten van het intergouvernementele systeem, gezien vanuit een bestuurskundige benadering. De dominante systeemfout is gelegen in wat al enkele keren is opgemerkt – The Federalist Papers wezen daar al op: het intergouvernementele stelsel probeert het onverenigbare te verenigen. Het zoekt in een structuur en procedure van gezamenlijke besluitvorming een gemeenschappelijk belang, maar gebruikt daarvoor een uitruil van de nationale belangen van de deelnemers. Dat levert altijd en per definitie winnaars en verliezers op, zo niet alleen verliezers. Omdat is afgesproken dat het resultaat van de besluitvorming uniform in elke lidstaat moet worden uitgevoerd, groeit in verliezende lidstaten in de loop van jaren weerzin tegen dit type besluitvorming. Die weerstand werkt als gif; het zet zich vast in de vitale organen van de nationale systemen, daarna in de gemoedsrust van de bevolking, waarna zijn vernietigende werk een weerslag heeft op het intergouvernementele systeem zelf.

Dat gif hoopt zich op omdat men niet eenmaal, maar regelmatig verliezer is. Dit type besluitvorming wordt namelijk gedomineerd door machten en belangen, kansen en bedreigingen, geven en nemen. Iedereen mag een keertje winnen, maar zal even vaak ook moeten accepteren dat men verliest. Met op de achtergrond de dreiging van ‘don’t rock the boat, want anders worden we allemaal nat’. Daarom kan de intergouvernementele Europese Unie nooit bogen op het gezegde dat het méér is dan de som der delen. Integendeel. Het is zelfs geen huwelijk – een metafoor die we al enkele keren hebben gebruikt om het confederale aspect van de Europese Unie te duiden – waarbij men het huis kan verlaten wanneer het verlies niet langer draaglijk is. Hoewel juridisch mogelijk (artikel 50, lid 1 van het Verdrag van Lissabon staat een lidstaat toe de Unie te verlaten) is dat om praktische redenen te moeilijk geworden. Het is hoogstens een LAT-relatie (living apart together), die de partners tegen hun zin in stand houden, omdat alléén verder gaan nóg vervelender is. Bestuurskundigen die dergelijke materie vanuit de sociale psychologie benaderen kunnen uitleggen waar dan het onderlinge wantrouwen, de opzetjes, de misleidingen, de miscommunicatie en de achterkamertjes vandaan komen. En de daardoor groeiende weerstand van de bevolking in lidstaten, vaak geactiveerd door Euro-sceptische politici.

Door het onverenigbare te willen verenigen zien we aan de organisatorische kant een ronduit systeemvernietigende constructie. Vier functionarissen hebben elk binnen hetzelfde systeem een eigen mandaat om namens Europa te spreken: de voorzitter van het Europese Parlement, de voorzitter van de Europese Commissie, de voorzitter van het halfjaarlijks roulerend Europa en – sinds het Verdrag van Lissabon – de voorzitter van de Europese Raad. Geen enkele organisatie is bestand tegen het hebben van niet minder dan vier voorzitters die elk vanuit een eigen – juridisch gelegitimeerd – mandaat het woord mogen voeren over de Europese Unie. Het is nog erger. De regeringsleiders van Duitsland en Frankrijk nemen de eigenlijke besluiten, zonder een daartoe legitiem mandaat te hebben. Gezien vanuit de organisatietheorie doet zich hier een ‘halsmisdrijf’ voor: vier kapiteins, die elk op een ander deel van hetzelfde schip bevelen kunnen geven, of commentaar mogen hebben, over de koers die het schip heeft te gaan. Waarbij het de vraag is of de respectieve bevoegdheden correleren met de daarbij behorende verantwoordelijkheden.

Aan de operationele kant openbaart de dominante systeemfout zich in een opstapeling van reparatiebeleid en –wetgeving. Steeds wanneer men gezamenlijk vaststelt dat men eigenlijk ongelukkig is met de manier waarop de zaken gaan, worden er weer maatregelen doorgevoerd – beleidsmatig dan wel codificerend – om elkaar weer even een glimlach op het gezicht te toveren. Tot de volgende klap. Om steeds weer het bewijs te leveren van de stelling van journalist en auteur Jochen Bittner in zijn boek ‘So nicht Europa!’: de Europese Unie regelt het kleine te groot en het grote te klein, het zachte te hard en het harde te zacht en ze beweegt zich bovenaan te snel en onderaan te langzaam. Professor emeritus Larry Siedentop, een Brits-Amerikaanse historicus en filosoof, denkt er net zo over; hij zei eind 2011 in een interview met het Belgische weekblad Knack: “De EU worstelt met een systemische crisis, zowel politiek als economisch. Europa evolueert naar bureaucratische bestuursvormen, zowel op het Europese als op het nationale niveau.” Al hebben zij beiden gelijk wat de werking van het intergouvernementele Europa betreft, zij blijven stilstaan bij de Staten en hun dwarsliggende regio’s. Zij dalen niet af tot op het straatniveau, dat van de Europese inwoners, voor wie bestuurd wordt. De kiezers zijn nochtans geen klanten, ze zijn aandeelhouders!

Tekenend voor het steeds weer propageren van verkeerde reparaties was de ‘State of the Union’ die de voorzitter van de Europese Commissie, José Manuel Barroso, uitsprak op 12 september 2012, nota bene dezelfde dag waarop het Duitse Constitutionele Hof besliste dat het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM) niet in strijd was met de Duitse Grondwet en onder bepaalde voorwaarden zou mogen worden toegepast. Barroso riep op tot meer integratie door het creëren van een ‘federatie van natiestaten’. Niet een superstaat. Maar wat is een federatie van Staten anders dan een confederatie? Gelukkig werd hij diezelfde dag al weersproken door Guy Verhofstadt, fractieleider van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa (ALDE) in het Europese Parlement, met woorden als: “Wij hebben geen federatie van Staten nodig, maar een federatie van Europese burgers.” Waarmee hij impliciet verwijst naar de federatie van de Verenigde Staten, opgericht door de burgers van de dertien confederale staten, niet door die staten zelf.

Met die woorden betoont Verhofstadt zich een waarachtig volgeling van Jean Monnet die in zijn memoires schreef: "Nous ne coalisons pas des Etats, nous unissons les hommes" ("Wij maken geen coalities van Staten, wij verenigen de mensen").

De auteurs van The Federalist Papers zouden zich in hun graf omdraaien bij de wetenschap dat de Europese Unie over een Parlement beschikt dat net zo dicht bij het volk staat als Mars staat bij Aarde. Een vertegenwoordigend orgaan dat niet steunt op een direct mandaat vanuit het volk is in hun ogen een gruwel. En dat blijkt wel als we de eindeloze debatten zien over de afdracht die elke lidstaat aan de Unie moet doen: een vorm van taxation without representation. In de 18e eeuw goed voor een afscheidingsoorlog in Noord-Amerika. Maar andersom geldt evenzeer op het Europese bestuursniveau: representation without taxation – een Europese overheid met nauwelijks zelf verzamelde middelen. Met als gevolg Europese onderwerping aan de Staten. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
 
Dit soort negatieve effecten van de dominante systeemfout om het onverenigbare te willen verenigen laat zich vanuit de systeemtheorie verder uitleggen. Binnen die discipline kent men de begrippen negatieve en positieve feedback. Daarbinnen zijn dat neutrale begrippen; ze hebben geen emotionele waarde. Maar toegepast binnen het functioneren van overheden die doelen willen bereiken, krijgen ze een kwalificerende lading.

Negatieve feedback binnen het openbaar bestuur, eigenlijk binnen elk menselijk doelgericht handelen, is het mooiste wat er op de wereld bestaat. Geformuleerd in zo eenvoudig mogelijke woorden houdt het namelijk in dat bij het vaststellen van een koersafwijking (error) een analyse plus eliminatie van de oorzaak daarvan, tot correctie van de koersafwijking leidt. En men dus uiteindelijk het beoogde doel realiseert. Negatieve feedback is hét universele doelbereikingsmechanisme: als men een doel stelt, op pad gaat, koersafwijkingen detecteert en die steeds weer corrigeert door hun oorzaken te elimineren, dan komt men uiteindelijk waar men wil zijn. Het ‘negatieve’ in negatieve feedback slaat daarbij niet op de error, maar is afgeleid van het Latijnse negare: ontkennen, ongedaan maken. Een eenvoudig voorbeeld zien we als iemand probeert precies over een witte streep van honderd meter te fietsen. Dat lukt niet. Hij zit telkens een beetje links of rechts van de ideale lijn, maar door voortdurend de afwijking te corrigeren komt hij waar hij moet zijn. Tenzij iets gebeurt wat niet kan worden voorzien. Daarom is besturen altijd en eeuwig een omgaan met onzekerheid, waarbij de bestuurder zich alleen maar moet toeleggen op het vaststellen van de oorzaken van problemen om die vervolgens te elimineren. Dat is het universele principe van elke menselijke doelvinding.

Dit systeemtheoretisch concept heeft zijn pendant in de wetenschapsmethodologie, door Karl Popper in de jaren dertig van de vorige eeuw onder woorden gebracht met de zin: “Trial motivation and error elimination”, in de wandeling meestal afgekort tot trial and error, het principe dat aan de basis ligt van succesvolle evolutie of wetenschappelijke vooruitgang.

Maar wat is dan positieve feedback? Welnu, als negatieve feedback het mooiste op aarde is omdat het mensen in staat stelt beoogde doelen te bereiken, dan is positieve feedback het ergste wat iemand kan overkomen. Ook wel verwoord als ‘voorwaartse koppeling’ betekent het namelijk dat men bij het vaststellen van een error een reparatiemaatregel treft die niet tot correctie van die error leidt, maar juist tot verslechtering daarvan: een versterking van de afwijking, steeds verder van huis raken. En dan niet lineair, maar progressief. Dus niet via de reeks 1, 2, 3, maar via 2, 4, 8, 16 en zo voort. Daarom zei ik hierboven: “Eerst haalt men even opgelucht adem, maar al snel blijkt dat de reparatie slechts een korte termijn effect heeft, waarna de ellende zich – versneld en vermeerderd – verspreidt.”

Positieve feedback wordt namelijk zichtbaar door versnelling en vermeerdering van de error. Laat mij een voorbeeld geven, overigens buiten het domein van de Europese Unie. Het ijs van de Noordpool is wit. Daarom kaatsen de zonnestralen terug. Ze dringen niet door het ijs heen en warmen het water dus niet op. Maar wat blijkt nu? Door exogene oorzaken smelt het ijs. Op die plekken is het ijs zwart. De zon dringt daarin door, warmt het ijs op (wat vroeger niet het geval was) als gevolg waarvan het ijs op meer plaatsen sneller smelt. Daarom is nu, aan het einde van de zomer van 2012, de omvang van het Noordpoolijs kleiner dan ooit tevoren.

Het afschuwelijke van positieve feedback is zijn onomkeerbaarheid. Eenmaal in gang gezet is er geen houden aan. Net als bij een lawine. Die begint met een klein beetje sneeuw, vermeerdert en versnelt zich en komt pas onderaan de berg tot stilstand. Niemand kan dat ding halverwege tegenhouden. Hetzelfde doet zich voor bij een melt-down van een kernreactor: zodra die begint, moet je zo snel en zover mogelijk uit de buurt zien te geraken.

De stelling is dus nu: als men wil verklaren waarom het steeds slechter gaat met de Europese Unie, dan vindt men het antwoord in het positieve feedbackmechanisme dat in een steeds hoger tempo steeds meer aberraties van het intergouvernementele systeem produceert omdat men zich verliest in steeds meer vruchteloze reparaties van eerdere mislukte reparaties. Het systeem raakt versneld steeds verder uit koers en kan steeds minder adequaat reageren op externe dreigingen, zoals bijvoorbeeld de economische crisis en daarna de bankencrisis: zijn immuunsysteem wordt steeds zwakker. En dat verklaart dat leidinggevende politici aanvoelen dat reparatiebeleid en –wetgeving (in de woorden van David Marquand ‘low politics’) niet langer het goede antwoord is. Schoorvoetend en met de nodige aarzelingen spreken ze in de zomer van 2012 over de noodzaak tot diep ingrijpen in het systeem. Ten tijde van het schrijven van dit Paper Nr. 11 is al via Der Spiegel uitgelekt dat Bondskanselier Angela Merkel bezig zou zijn met het ontwerpen van een geheel nieuw EU–verdrag.

Zie hier de werking van het positieve feedbackmechanisme: al drie jaar na dat van Lissabon, een verdrag dat eigenlijk niemand wilde, wordt er alweer gesleuteld aan een nieuw verdrag. Het zoveelste. We raken de tel kwijt. Maar het is nog erger. In de tweede helft van september 2012 meldden de dagbladen nog meer initiatieven: Commissievoorzitter José Manuel Barroso kondigt aan dat hij vóór de Europese verkiezingen van 2014 voorstellen zal doen voor een federatie van Staten. De Voorzitter van de Europese Raad Herman van Rompuy komt in oktober 2012 met nieuwe ideeën over een volwaardige Economische en Monetaire Unie (EMU). De Europese Commissie werkt aan een robuustere Eurozone. De Future of Europagroup, elf ministers van Buitenlandse Zaken onder leiding van de Duitse Minister Guido Westerwelle, biedt op 24 september 2012 aan het Europees parlement een rapport aan over de federalisering van Europa. Allemaal verschillende initiatieven, maar allemaal vertrekkend vanuit hetzelfde punt: de zoveelste aanpassing van het bestaande intergouvernementele systeem.

Nu terug naar onze juristen en politicologen. Laten we kort zijn: ze zijn part en deel van het probleem, maar de vraag is of ze ook part en deel van de oplossing kunnen zijn. In de kern is het versneld afsterven van het intergouvernementele systeem terug te voeren op het feit dat alle pogingen om het drastisch te veranderen van binnenuit het deficiënte systeem zelf zijn gekomen. Als je nu aan die juristen en politicologen vraagt om een federatie te bouwen, dan is dat wederom gedoemd tot mislukken. De nú in het intergouvernementele systeem opererende functionarissen zijn daar op hun plaats, want het systeem heeft hen aangetrokken en daarbinnen voelen ze zich thuis. Maar een federaal toneel is niet hun habitat. Daar kennen ze de weg niet. Omdat hun professionele DNA intergouvernementeel geladen is.

Men kan mij verwijten dat ik hier een grove onderschatting plaats van de wil en de kunde van intergouvernementele functionarissen om een federatie te bouwen. En ook heb ik begrip voor het verwijt dat ik impliciet lijk te beweren dat alleen bestuurskundigen, niet besmet met intergouvernementele gifstoffen, een dergelijke klus zouden kunnen klaren. Ik wil met deze stellingname alleen maar onderstrepen dat wij eerst en vooral op een geheel andere wijze moeten kijken naar de manier waarop je een federatie creëert, en dat het een open vraag is of zij die de huidige Unie modelleren, aansturen of dienen, geroepen zijn om dat werk te doen.

Ik vind daarbij steun aan de mening van David Marquand in zijn ‘The End of the West’. In veel scherpere woorden dan de mijne legt hij uit dat het soort mensen dat vanaf het begin heeft gewerkt aan de Europese samenwerking nooit heeft gewerkt op het niveau van ‘high politics’ (gemeenschappelijke belangen staatkundig vormgeven), maar steeds zijn blijven hangen op het niveau van de ‘low politics’. Dat is het niveau van sectoraal en subsectoraal beleid. Sterk technocratisch beheerst door politici die alleen maar denken in termen van landbouwsubsidies, regionale hulp, vrije handel en harmonisering. Daarbij uitsluitend steunend op diplomaten, lobbyisten en ambtenaren en nooit op de Europese burgers. Daarom concludeert hij: “Not surprisingly, the Brussels Commission has attracted technocrats as jam pots attract wasps.” Als een onvermijdelijk negatief effect van ‘low politics’ in handen van overwegend technocraten bedenkt dat type mensen steeds weer nieuwe compensatiemaatregelen voor de landen die in dat spel van wheelen and dealen in het stof hebben moeten bijten. En vervolgens gaat de gemeenschapsdiscussie elk begrotingsjaar voornamelijk over meer, andere of aangepaste compensatiemaatregelen.

De drang naar federalisering die vanaf 1950 binnen Europa bestaat, maar steeds verkeerd wordt vormgegeven, moeten we plaatsen in een historisch perspectief. Vanaf Westfalen in 1648 tot het oprichten van de Verenigde Naties na Wereldoorlog II, hebben we het tijdvak van de natiestaten gekend. Sinds 1945 worden die ruim 190 natiestaten links en rechts gepasseerd door de opkomst van enkele tientallen intergouvernementele bestuursvormen – een tweede tijdvak van schaalvergroting. Nu breekt een derde tijdvak van schaalvergroting aan, dat van de bouw van een handvol federale organisaties die tezamen de wereld omspannen. In de woorden van Guy Verhofstadt: de komst van een New Age of Empires. Daarmee doelt Verhofstadt op de ontwikkeling dat de wereld zich in de komende tijd opdeelt in een dozijn regionale machtscentra, als een vanzelfsprekend sluitstuk van bestuurlijke schaalvergroting sinds de vorige eeuw. Een schaalvergroting die we eigenlijk al sinds het verlaten van de middeleeuwen hebben zien groeien. Of Europa een federatie zal worden is niet de vraag. Het gaat om een andere vraag: wie wil én kan aan het creëren daarvan leiding geven?

Voor degenen die twijfelen aan Verhofstadts voorspelling dat er een nieuw tijdperk gaat aanbreken waarin een handvol federaties de wereld omspannen, beveel ik aan om Éva Bóka’s artikel ‘Rethinking the role of the federalist ideas in the construction of Europe’ te lezen. De komst van een ‘peaceful world federation’ is de kern van dat paper.