Nr. 13 – Jadoul, oktober 2012

Omdat deze Papers consequent willen teruggrijpen naar succesvolle voorbeelden van politieke samenwerking in het verleden, schetst gastauteur Fernand Jadoul hoe, al in de oorlogsjaren, dus een paar jaar eerder dan de komst van het Schuman Plan, de Benelux tot stand kwam, met welke gemeenschapsmotieven zij werd opgericht en hoe zij heeft gediend als voorbeeld voor de creatie van het grotere Europaverbond dat we nu kennen als de Europese Unie. Hoewel die Unie de oorspronkelijke economische doelen van de Benelux heeft ingehaald, staat het sinds 2012 in werking zijnde nieuwe Benelux Verdrag onverkort achter een verdere versterking van de Europese samenwerking, waarbij noch de nationale Grondwetten, noch de Europese Verdragen, het Verdrag van Lissabon in het bijzonder, een beletsel vormen tot een federalisering van de Benelux.

European Federalist Papers © Leo Klinkers & Herbert Tombeur, 2012-2013

 

Het zaad voor de groei van een verenigd Europa sluimert al enkele eeuwen in zijn bodem. Hier en daar zag men het omhoog schieten, maar ook weer afsterven. Hoewel Spinelli en Rossi met hun Ventotene Manifest van 1941 het denken in termen van federalisering van Europa een nieuwe impuls gaven, moeten wij vaststellen dat Europa nog steeds geen Federatie is. Kennelijk moeten we wachten op een zodanige politieke klimaatverandering dat het overal in Europa duurzaam gaat groeien en bloeien. Nu er tekenen zijn dat die politieke klimaatverandering op handen is moeten we nagaan of we voor het maken van een succesvolle sprong naar de toekomst energie kunnen putten uit het verleden.

Het reeds genoemde artikel van Éva Bóka ‘Rethinking the role of the federalist ideas in the construction of Europe’ beschrijft in vogelvlucht de vele federale initiatieven en hun voorvechters. Laten we enkele details nader onderzoeken.

Reeds in 1713 schreef Abbé de St.-Pierre zijn Projet pour rendre la paix perpétuelle en Europe. En de Franse (vroege utopische socialist) graaf de Saint-Simon ontwierp al in 1814 een model voor Europese samenwerking, inclusief een Europees parlement. Enkele decennia daarna introduceerde de Franse schrijver Victor Hugo in 1848 al het begrip ‘de Verenigde Staten van Europa’.

Toch kwam er pas na twee wereldoorlogen – mede dankzij Spinelli en Rossi, maar beheerst door Monnet en Schuman – een Europese ‘eenheidsbeweging’ op gang. Misschien is het beter om te spreken van een beweging tot Europese samenwerking. Sinds het Verdrag van Rome wordt de toekomst van de Europese Unie beheerst en bepaald door twee vraagstukken, te weten: uitbreiding en verdieping. Welnu, die uitbreiding van de Unie heeft zich, tegen de oorspronkelijke verwachtingen in, toch op grote schaal voltrokken: het aantal lidstaten is binnen een halve eeuw viereneenhalf keer zo groot geworden. Maar die verdieping, in de betekenis van een verdergaande Europese integratie is tot nu toe geen succesnummer geworden. De oorzaak is duidelijk in de voorgaande Papers beschreven: de keus, begin jaren vijftig, om de samenwerking de vorm van een intergouvernementeel systeem te geven werkte uitstekend in de eerste jaren van die gemeenschap, maar is allengs contraproductief geworden. Verdieping door middel van integratie bleek het karakter van een sluipende aantasting van lidstatelijke soevereiniteit te hebben. Een eroderen van de natiestaten door het hiërarchische karakter van de Brusselse besluitvorming die eenheid afdwingt waar behoud van verscheidenheid juist kleur, geur en smaak aan het samenleven biedt. Intuïtief rees daartegen een toenemend verzet. Door sommige lidstaten – Nederland voorop – openlijk verwoord met een slogan als “I want my money back”, een slogan van Britse origine (zie katern aan slot van dit Paper).

Laat ons nu verder gaan met het aanbieden van argumenten om zo snel mogelijk dat verderfelijke intergouvernementele bestuursstelsel achter ons te laten.

Verdere verdieping van de Europese samenwerking lijkt geboden, maar dient instrumenteel anders te worden gerealiseerd: door federalisering. De behoefte aan integratie kan worden bevredigd door de integrerende gemeenschappelijkheid – met een eigen soeverein bevoegdhedencomplex – bóven die lidstaten te organiseren waardoor de soevereiniteit van de lidstaten onaangetast blijft. Het voorbeeld van de organisatie van mede-eigendom dat jij in Paper Nr. 2 poneert – waarde Klinkers – met de Vereniging van Eigenaren (VVE), is precies het model van een federale organisatie die per definitie de autonomie van de deelnemers aan die federatie, namelijk de individuele eigenaren van een appartement, intact laat en daaraan juist een waarde toevoegt door samen de zorg voor het gemeenschappelijke op een vooraf overeengekomen manier te regelen.

Dus in een fatsoenlijke federatie speelt het aspect van ‘integratie’ zich af boven de hoofden van de appartementseigenaren, in hun gemeenschappelijk beleefd belang, zonder in te grijpen in hun eigen leefwereld. Om met die metafoor van de VVE even verder te spelen: het intergouvernementalisme dwingt de appartementsbewoners te gaan samenleven als een commune, waarbinnen autonome vrijheid van het individu wegvalt. Dat is dus de verkeerde soort ‘integratie’, leidend tot het verdampen van de soevereiniteit van je eigen woonkring. Daarom zou het prettig zijn als Europese politici bij het bepleiten van meer Europese integratie zorgvuldiger dan nu het geval is dat woord ‘politieke integratie’ gebruiken.

Leren van een beknopte geschiedenis van de Benelux kan daarom van nut zijn. De Benelux Unie kan een instrument par excellence zijn voor het leggen van een bodem onder een Federatie Europa.

Eeuwenlang gold de benaming ‘De Lage Landen’ dan wel de ‘Noordelijke en Zuidelijke
Nederlanden’ voor dat deel van West-Europa dat later de zelfstandige staten Nederland, België en Luxemburg zou gaan omvatten. Op 19 april 1839 tekenden de grote mogendheden in Londen een verdrag, waarbij uitvoering werd gegeven aan hetgeen reeds sinds 1830 in de lucht hing: de definitieve scheiding van Nederland en België, en een erkenning van de onafhankelijkheid van Luxemburg. Als een eerste aanzet in de richting van wat later de Benelux is gaan heten mag het verzoek van Luxemburg worden gezien, in 1841, gericht aan de Nederlandse Koning, toen tevens in personele unie de Groothertog van Luxemburg, om een verdrag met België te sluiten, aangevuld met een economische unie met Nederland.

De Eerste Wereldoorlog bracht België en Luxemburg effectief weer samen: ze vormden in 1921 de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (BLEU), die ook een monetaire unie werd. Twee kleine landen, maar geen kleine zaak als men beseft dat dit gebeurde in de periode waarin de Amerikaanse President Woodrow Wilson bezig was met de constructie van de Volkenbond. In de woorden van Dirk Rochtus en Ward Kennes: “Deze muntunie creëerde lang voor de invoering van de euro al een intiem gevoel van verbondenheid.”

De economische depressie in de jaren twintig van de vorige eeuw leidde tot een ruimere samenwerking: de drie Benelux-landen en drie Scandinavische landen sloten het eerste verdrag inzake economische samenwerking, op initiatief van de Noorse Buitenlandminister – de Conventie van Oslo (1930). Het hoofddoel van deze Conventie was het slechten van handelsbarrières. Kort daarna, in 1932, sloten de Benelux-landen het verdrag van Lausanne-Ouchy met hetzelfde doel. De Oslostaten streefden echter ook meer een politieke samenwerking na, maar ze waren in dit opzicht geen partij voor de grotere landen.

Ik citeer graag wat volgt uit de Inleiding van het boek van Ger van Roon: “Had de discussie over het Belgisch-Nederlandse voorstel uit juni 1932 voor een tolunie tot een herleving van de multilaterale Oslocontacten geleid, de mislukking van de Economische en Monetaire Wereldconferentie in 1933 te Londen bracht de Oslolanden nog meer tot elkaar. Bovendien werd Finland in het samenwerkingsverband opgenomen. (…) Vanaf 1935 en 1936, de jaren van de inval van Italië in Ethiopië en van de remilitarisatie van het Rijnland, gingen in het samenwerkingsverband van de Oslolanden politieke aspecten domineren. Zelfs kwam het tot enkele bilaterale militaire contacten. Voor het aangaan van een politiek-militaire samenwerking zou het toen een gunstig moment zijn geweest. België en Zweden waren al vanaf het begin van de Oslosamenwerking in de politieke kant van de alliantie geïnteresseerd geweest.”

En de lijn van effectieve samenwerking in Noordwest-Europa, en van pogingen daartoe, loopt constant door. Het is de Tweede Wereldoorlog die de drie Beneluxlanden weer nader bij elkaar bracht: op 21 oktober 1943 ondertekenden hun drie regeringen in Londense ballingschap een monetaire overeenkomst. Amper een jaar later, op 5 september 1944, hebben zij, nog steeds in ballingschap, de Nederlands-Belgisch-Luxemburgse-douaneovereenkomst getekend. Plus afspraken gemaakt om – gegeven hun geografische ligging – voortaan, waar dat mogelijk was, samen te gaan werken op economisch terrein. Deze Douane-Unie heeft vervolgens weer geleid tot het op 3 februari 1958 ondertekenen van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.

Ger van Roon stelt in zijn Nawoord: “De totstandkoming van de Benelux was mede een gevolg van en de kroon op de tijdens de jaren dertig gegroeide toenadering tussen de drie landen. De Belgische regering had in Londen het initiatief tot verdere samenwerking genomen. Deze werd als een voortzetting van de Oslosamenwerking gezien. (…) Een van de lijnen in dit boek is die van zelfstandigheid naar afhankelijkheid. De geschiedenis van de Oslolanden waarschuwt tegen overdreven verwachtingen over de invloed van een klein land op het internationale gebeuren. Anderzijds wijst deze periode op de mogelijkheid, dat kleine landen – vooral in onderlinge samenwerking – een flexibeler buitenlands beleid kunnen voeren en eerder en sneller op nieuwe situaties kunnen inspelen. (…) Omdat de Oslosamenwerking ondanks haar zwakheden een voorbode is geweest van de naoorlogse integratie, is dit boek ook een pleidooi voor meer internationale samenwerking en juist in tijden van economische depressie.”

De Benelux Economische Unie creëerde twee zaken: a) de coördinatie van economisch, financieel en sociaal beleid, en b) het aanvaarden en voeren van een gemeenschappelijk beleid in economische betrekkingen met derde landen. Bij die economische en financiële dimensie werden gaandeweg ook terreinen als verkeer, ruimtelijke ordening, milieu en politie en justitie betrokken. Het succes van de Benelux mag blijken uit het feit dat zij qua economische potentie binnen de Europese Unie op de vierde plaats ligt en wereldwijd eveneens een vierde plek bezet waar het gaat om de import en export.

In de context van de federalisering van Europa is het van belang om te kijken naar de drie nationale grondwetten en naar de verdragsrechtelijke relatie tussen de Benelux en de Europese Unie.

De Belgische Grondwet bepaalt in dit verband: “De uitoefening van bepaalde machten kan door een verdrag of door een wet worden opgedragen aan volkenrechtelijke instellingen.” (artikel 34). De Nederlandse Grondwet is gelijkluidend: “Met inachtneming, zo nodig, van het bepaalde in artikel 91, derde lid, kunnen bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.” (artikel 92). De Luxemburgse Grondwet stelt: “L’exercice d’attributions réservées par la Constitution aux pouvoirs législatif, exécutif et judiciaire peut être temporairement dévolu par traité à des institutions de droit international.” (artikel 49bis). De Grondwetten van de Benelux-landen laten dus toe dat zij een federale organisatie of federatie zouden vormen, want een overdracht van statelijke bevoegdheden, met andere woorden van soevereiniteit, is grondwettelijk mogelijk.

Het Verdrag van Rome (1957) kende in artikel 306 een zogeheten ‘machtigingsclausule’ toe. Die luidde als volgt: “De bepalingen van dit Verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door dit Verdrag”. Het feit dat de Benelux-landen aan de wieg hebben gestaan van de Europese eenmaking zal aan die opgenomen clausule niet vreemd zijn.

Deze tekst staat nu ook in artikel 350 van het Verdrag van Lissabon. De betekenis hiervan is van belang voor de vraag of het Verdrag Van Lissabon zich mogelijk zou kunnen verzetten tegen een federalisering van de Benelux-landen. Een dergelijk beletsel is dus niet het geval. Het staat België, Nederland en Luxemburg vrij om een federale unie aan te gaan. Omdat artikel 50, lid 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (wat een van de twee verdragen is binnen het Verdrag van Lissabon) het aan lidstaten toestaat om uit de Europese Unie te stappen is het dus geen probleem indien België, Nederland, en Luxemburg als afzonderlijke landen uit het intergouvernementele systeem zouden treden om er vervolgens als één federatie weer in te stappen. Zolang het intergouvernementele systeem nog leeft.

Terug naar het verleden. Het in 1958 gesloten Benelux-verdrag trad op 1 november 1960 in werking voor een termijn van vijftig jaar. Dus tot 2010. In de loop van de verdragstermijn zijn o.a. op het vlak van de internationale, Europese en economische verhoudingen nogal belangrijke wijzigingen geschied en kwam geleidelijk ook de Europese Unie tot stand, die op economisch en monetair terrein de werking van de Benelux is gaan vervangen. En de politieke samenwerking in de Benelux bleek in de loop van de jongste decennia ook te tanen en zelfs te worden bemoeilijkt door – eufemistisch gesteld – bestaande mentaliteitsverschillen. Onder meer een gevolg van het zich vooral meer ‘Atlantisch’ opstellende Nederland, zoals bijvoorbeeld ook in de Irak-kwestie manifest werd. De problematiek en de meningsverschillen rond een klein deel van de uitvoering van het Scheldevaart-verdrag en het weer in gebruik nemen van de IJzeren Rijn als spoorwegverbinding, droegen niet bij aan het intensiveren van de samenwerking. Enkele jaren gelden leidde dat er vaak toe dat ministeriële bijeenkomsten werden uitgesteld, dan wel geannuleerd of dat bewindslieden zich lieten vertegenwoordigen.

Dat heeft echter niet geleid tot het verdwijnen van de Benelux. Tijdig vóór het aflopen van de Benelux-verdragstermijn in 2010 hebben uitvoerige raadpleging en voorbereiding op vele politieke niveaus erin geresulteerd dat op 17 juni 2008 in Den Haag het ‘Verdrag tot herziening van het op 3 februari 1958 gesloten Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie’ werd ondertekend. Dat is op 1 januari 2012 in werking getreden. Doordat de Unie werd uitgebreid naar ook niet-economische zaken is de officiële naam gewijzigd in: Benelux Unie.

Het doel van het nieuwe Verdrag is de samenwerking tussen de drie landen te verdiepen en uit te bouwen, opdat de Benelux Unie a) een voorttrekkersrol kan blijven vervullen in de Europese Unie (sic), en b) de grensoverschrijdende samenwerking op alle niveaus kan uitbreiden. Zij zal zich vooral richten op het verder ontwikkelen van de economische unie, op de duurzame ontwikkeling en op de samenwerking inzake justitie en binnenlandse zaken.

Met het nieuwe Verdrag willen de drie landen de samenwerking een nieuwe impuls geven. Dat mag worden geconcludeerd aan de hand van de Politieke Verklaring die de drie nationale regeringen bij gelegenheid van de ondertekening van het Verdrag in juni 2008 het licht deden zien, maar die overigens (nog) geen uitwerking heeft gekregen tot een meer structurele Benelux Politieke Samenwerking. In die Politieke Verklaring belijden de drie regeringen onder meer:

  • “Onze samenwerking….heeft onze landen ontzettend veel opgeleverd en is een bron van inspiratie geweest voor vele anderen”.
  • “Onze organisatie heeft de Europese Gemeenschappen tot voorbeeld gediend”.
  • “Het nieuwe verdrag opent de weg om een meer dynamische invulling te geven aan onze samenwerking in een veranderende internationale en maatschappelijke context”.
  • “Onze regeringen zijn vastbesloten dit proces politiek te sturen”.
  • “De samenwerking geregeld te kunnen bijstellen, teneinde blijvend een voortrekkersrol te spelen in de Europese Unie en de doeltreffendheid van de grensoverschrijdende samenwerking tussen onze drie staten op alle niveaus nog te vergroten”.
  • “In een uitgebreide Unie van 27 landen is er alle aanleiding voor de Benelux om op een breed terrein met één stem te spreken … en daartoe: …. naast de traditionele ontmoetingen voorafgaand aan de Europese Raden, ook aan het begin van elk EU-voorzitterschap bijeen te komen”……….. om onze stempel te drukken op de EU-besluitvorming”.
  • “De Benelux zal nieuwe taken vervullen, een nieuwe strategie ontwikkelen en een nieuwe politieke sturing krijgen …… met het oog op het leveren van innovatieve oplossingen voor alle Europeanen”.

Het zou niet gepast zijn te veronderstellen dat de Benelux-regeringen het elan en de geestdrift die uit deze Politieke Verklaring blijken, uiteindelijk slechts bij woorden zullen laten. Noblesse oblige, dus die aanjaag- en motorfunctie om een volgende fase van statelijke vergroting op het Europese vlak te bewerkstelligen dient de Benelux als een uitdaging én als een verplichting te zien. Ter onderbouwing hiervan mag het volgende dienen.

Er werden al belangrijke verdragen en afspraken gerealiseerd, zoals de Schengen-overeenkomst en het Senningen-overleg. Een steviger Benelux-bondgenootschap brengt een geweldige economische potentie met zich mee, zeker ook in samenwerking met de daartoe geïnteresseerde Duitse deelstaat (Land) Noordrijn-Westfalen (NRW) en andere Länder. Samen omvatten de Benelux en het Land NRW zo’n 46 miljoen burgers, die een steviger invloed (zullen) kunnen hebben in een federaal Europa.

Hoewel het nieuwe Benelux Unie Verdrag bij de doelstellingen niet expliciet spreekt over een culturele toenadering, vermeldt het Verdrag dat een Gemeenschappelijk Werkprogramma wel samenwerking op overige gebieden kan inhouden, indien dit noodzakelijk is ter verwezenlijking van een van zijn hoofddoelstellingen. Zeker in de Benelux-landen kunnen projecten en activiteiten op cultureel en kunstzinnig gebied de burgers dichter bij elkaar brengen – men begrijpt elkaars geschiedenis, cultuur en gebruiken vaak beter – en het Europese bewustzijn bevorderen. Vele projecten werden, zij het op kleine schaal, op dit vlak al met succes gerealiseerd. Daarom stellen Rochtus en Kennes de terechte vraag – volgens mij een retorische: “Is het per definitie ondenkbaar dat Letzeburgers, Friezen, Vlamingen, Hollanders, Limburgers, Walen, Picardiërs, Brabanders, enz. een staatsdragende constructie zouden omarmen die hen in staat stelt hun rijke verscheidenheid te bewaren en vruchtbaar te maken?”

Het Benelux-samenwerkingsverband mag als exclusief worden gekwalificeerd. Het ontleent zijn uniciteit aan de expliciete erkenning in Europese verdragen en wordt daardoor als uniek binnen de EU ervaren, ook door en voor andere regionale samenwerkingsverbanden als de Noordse Unie, de Baltische Staten en de Visegradlanden.

Op Europees niveau zal een initiatief van de Benelux in de richting van federalisering zeer waarschijnlijk met sympathie en mogelijk zelfs enthousiasme worden ontvangen: sommige landen wachten tot de eerste schapen zich over de brug wagen. Het zou een eerste, maar ook beslissende stap kunnen vormen voor nauwere, federaal georganiseerde, samenwerking met de andere EU-landen. Vergeet daarbij niet de politieke betekenis van een federale Benelux: tezamen 53 zetels van de 736 in het Europese Parlement, of drie zetels meer dan het aantal Poolse of Spaanse verkozenen (elk 50). En samen 29 stemmen binnen de Raad van Ministers van de Europese Unie, evenveel als de vier grootste lidstaten, met name Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië.

Tot slot nog dit. De drie landen van de Benelux hebben zelf ook een toenemend belang bij een meer staatkundig sluiten van de gelederen nu de EU zich steeds meer uitbreidt. Deze drie (van de zes) founding fathers van de Europese Gemeenschap worden in dat grotere geheel naar de marge geduwd. De Benelux mag haar historische betekenis niet zo maar kwijtspelen. Zij heeft meerdere malen een voortrekkersrol gespeeld voor het creëren van structuren en processen die daarna in Europees Gemeenschapsverband werden overgenomen. Het vrije verkeer van mensen, goederen, kapitaal en diensten, het creëren van één grote zone zonder binnengrenzen (Akkoord van Schengen) zijn in dit verband belangrijke wapenfeiten die op het conto van de Benelux mogen worden geschreven. De uitdrukkelijke bedoeling – zoals geuit in de Politieke Verklaring – om onder het nieuwe Benelux-verdrag een blijvende voortrekkersrol te spelen zou een waarachtige invulling krijgen als de Benelux in zijn geheel zou toetreden tot een Federatie Europa. Pas dan realiseert men de wens van de Benelux-regeringen om op het besluitvormende niveau van de Europese Unie als een politieke eenheid met één stem te spreken.

De noodzaak hiervan wordt duidelijk onderstreept door het rapport ‘Citizens in an Interconnected and Polycentric World’ (april 2012) van het European Union Institute for Security Studies ((EUISS) dat vanuit het European Strategy and Policy Analysis System (ESPAS) een onthullend inzicht verschaft over de ‘Global Trends 2030’: tegen 2030 bepalen Azië en Afrika de politieke, economische en sociale ontwikkelingen in de wereld. Amerika en Europa zullen dan de tweede plaats gaan innemen.

In zijn boek ‘The End of the West. The Once and Future Europe’ zegt David Marquand hetzelfde, maar in scherpere woorden: “Can Europe recover the élan and political creativity that healed the wounds of the two great European civil wars of the last century and then extended the scope of democratic rule to the former Soviet satellites in East Central Europe? Can it overcome its internal contradictions – between European elites and their people, between democratic promise and technocratic reality? Can it develop institutions with the legitimacy, will, and capacity to enable it to join the United States, China and India as a global power? Or is it doomed to remain an economic giant and a political pygmy – rich, fat, vulnerable, and increasingly irrelevant to the new world that is taking shape beyond its frontiers?” Marquand bevindt zich wat dat betreft in het gezelschap van Mark Eyskens, oud-premier en oud-buitenlandminister van België, die in 1991 Europa 'een economische reus, een politieke dwerg en een militaire worm' noemde.

Het zal weinigen verbazen dat Marquand concludeert dat voor een goed antwoord op deze vragen Europa bereid moet zijn het besturingssysteem drastisch te veranderen: van intergouvernementeel naar federaal.

Katern
Om in herinnering te brengen wie die slogan het eerst gebruikte en ook om nog eens duidelijk te maken tot welke waanzinnige constructies het intergouvernementele systeem leidt, citeer ik hieronder een kort artikel uit het Vlaamse dagblad De Tijd van 23 november 2012.

“Belgen betalen zich blauw aan Britten

De Tijd, 23/11/2012, door Koen Dedobbeleer

177 miljoen euro. Die ronde som heeft België vorig jaar op tafel gelegd om de Britse korting aan de Europese begroting te betalen. In totaal verzekerde het Verenigd Koninkrijk zich in 2011 van een korting van 3,6 miljard euro, een bedrag dat de andere lidstaten betaalden.

De Britse premier Margaret Thatcher sleepte die beruchte 'rebate' in de wacht. 'I want my money back', riep ze in 1984. Thatcher vond dat veel minder Europees geld terugvloeide naar het VK dan naar bijvoorbeeld Frankrijk, dat gretig van de landbouwsubsidies tapte.

In de Franse stad Fountainebleau kreeg Thatcher groen licht voor een 'juste retour'. Sindsdien is de korting een verworven recht, al wekt ze bij elk begrotingsduel wrevel. In tegenstelling tot de Britten moeten de Nederlanders, de Zweden, de Oostenrijkers en de Duitsers hun korting telkens opnieuw onderhandelen. En het lijstje lidstaten dat een korting wil, dikt aan. Deze keer dringt ook Denemarken hard aan op een correctie.

Eigenlijk zitten de Britten, voor wie de 'rebate' een staatszaak is, in een meer dan comfortabele zetel. Zelfs als er geen meerjarenbegroting uit de bus komt, krijgen ze hun korting. Die wordt volgend jaar geschat op ongeveer 3,8 miljard euro.

Behalve de 177 miljoen euro voor de Britten, telde België ook 24 miljoen euro neer voor de korting van Nederland en Zweden. Frankrijk betaalde met 965 miljoen euro het grootste deel van de Britse compensatie.”