Nr. 16 – Klinkers, oktober 2012

Klinkers gaat in Nr. 16 in op het ontstaan en het functioneren van de Conventie van Philadelphia in 1787. Hij schetst hoe ook toen al het streven naar een federaal stelsel het karakter had van een processie van Echternach: twee stappen vooruit en een achteruit. Als de founding fathers van de Amerikaanse Grondwet met een samenhangend betoog rond een constitutioneel vraagstuk naar voren traden, waren er altijd tegenstrevers om de confederale visie te ondersteunen. Maar uiteindelijk kozen de Conventie-gedelegeerden in meerderheid voor het federale ontwerp. Naar aanleiding van de vragen die Tombeur in de vorige Paper stelt over het idee van Verhofstadt en Cohn-Bendit om na de Europese verkiezingen van 2014 een dergelijke Conventie als die van Philadelphia te organiseren, geeft Klinkers aan dat hij dat voorstel ziet als een strategische fout: die Conventie moet niet pas na de Europese verkiezingen in 2014 plaatsvinden maar reeds in 2013. Naar zijn mening moeten die verkiezingen principieel in het teken staan van de keus voor of tegen federalisering.

European Federalist Papers © Leo Klinkers & Herbert Tombeur, 2012-2013

 

Laat mij beginnen met de antwoorden op je vragen in Paper Nr. 15. Graag stem ik in met jouw voorstel om bij het ontwerpen van een concept van een Europese federale Grondwet naast de Amerikaanse Grondwet ook die van Zwitserland in beschouwing te nemen.

Verder deel ik volledig je exposé over de constitutionele en institutionele contouren van een Europese federale Grondwet. Vooral ook de keus om aan het federaal gezag een beperkt aantal domeinen te geven kan voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat hier een superstaat wordt voorgesteld. Zo’n limitatieve opsomming van de bevoegdheden van het federale gezag elimineert ook volledig de perfide werking van het ‘subsidiariteitsbeginsel’. Ik kom daar later in deze paper op terug. Over de manier waarop een federale Grondwet door constituanten zou kunnen worden vastgesteld moeten we later spreken als we het ontwerp daarvan gereed hebben.

Bij één punt van jouw betoog moet ik een correctie plaatsen. Sprekend over de bevoegdheid van de Amerikaanse President – het vetorecht op voorgestelde wetten – vraag jij je af of zulk regime geschikt is voor Europa. Het constitutioneel gebaseerde antwoord is: ja. Je meldt slechts één deel van het juridische stelsel. Krachtens de Amerikaanse Grondwet kan een presidentieel veto worden ‘overruled’ door een twee derde meerderheid in de Huizen van het Congres. Dat is het tweede deel. Dus die President is niet almachtig. Dit is een van de vele checks and balances die de Amerikanen binnen het beginsel van de trias politica hebben geformuleerd. Voorts ben ik van mening dat het presidentiële systeem een verademing is vergeleken met de parlementaire democratie die wij in de meeste Staten van de EU kennen. Graag reserveer ik mijn argumenten daarvoor in de volgende Paper waarin ik dat gedetailleerder kan toelichten.

Tot slot deel ik je mening over de vergelijkbaarheid van het Amerika toen en nu, met de demografische en financieel-economische situatie in Europa op dit moment. Men hoeft slechts kennis te nemen van het schitterende boek van Geert Mak, ‘Reizen zonder John’, om te zien hoe de verschillen in rijkdom en armoede, in vooruitgang en achterstand, in vallen en opstaan, in politieke stilstand en plotselinge omslagen, in verstedelijking en leegloop van het platteland in Amerika vergelijkbare toestanden in Europa weerspiegelen. Dat besef groeit temeer, als je ook het eerder genoemde boek ‘Alle Presidenten’ van Frans Verhagen leest. Dat exposé van de politieke en maatschappelijke omstandigheden waaronder de vierenveertig Presidenten werden gekozen en hun ambt uitoefenden, geeft een verdiept inzicht in het ontstaan van de Amerikaanse werkelijkheid die zo treffend door Mak wordt beschreven.

Ik begin nu met de laatste vraag in jouw Paper Nr. 15. Je wilt weten hoe de Conventie van Philadelphia van 1787 voor het Europa van nu een voorbeeld zou kunnen zijn. Om daar een goed antwoord op te kunnen geven moet ik eerst praten over het per 1 oktober jongstleden verschenen boek ‘Voor Europa’ van de hand van de Europarlementariërs Guy Verhofstadt en Daniel Cohn-Bendit. Verhofstadt als voorzitter van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa. En Cohn-Bendit als medevoorzitter van de fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie. Hun geschrift wekt mijn bewondering én verwondering. Ik moet eerst daarover uitweiden, om daarna pas de betekenis van de Conventie van Philadelphia te kunnen toelichten.

Waarom mijn bewondering voor het boek van Verhofstadt en Cohn-Bendit? Beide auteurs behoren tot een aparte categorie politici: zij schrijven boeken. Dat is bijzonder. Niet zozeer omdat de meeste andere politici, waar ook ter wereld, geen boeken schrijven, maar omdat het vastleggen van een politieke ideologie in een boek de schrijver kwetsbaar maakt. Daar is moed voor nodig. Het geschreven woord kan immers eindeloos herlezen, becommentarieerd en bekritiseerd worden. Op het gesproken woord, daarentegen, hebben politieke tegenstanders weinig vat. Dat is vluchtig. En kan bij al te erge oppositie worden afgedaan als een verkeerd begrepen opmerking. Maar eenmaal op papier gezet, ligt het politieke waarden- en normenpatroon van de schrijver naakt op tafel, klaar om ontleed te worden door oppositionele chirurgen met scherpe messen.

In dit boek is die naaktheid zelfs extreem. Zelden las ik een geschrift, deels een verhaal, deels een interview, dat zo begeesterd en gepassioneerd een politiek standpunt vertolkt. Niets, maar dan ook niets wordt omfloerst, bedekt, cryptisch of met slagen om de arm geformuleerd. Woord na woord, zin na zin wijzen de auteurs in een razend tempo op de diepdroevige defecten van het intergouvernementele systeem. Om met dezelfde vaart – en met een niet te stuiten reeks argumenten, feiten en cijfers – het nut en de noodzaak van een federaal stelsel te onderbouwen. Voor overtuigde Europese federalisten een feest om te lezen. Maar, en daar begint mijn verwondering, om diezelfde reden een gruwel voor antifederalisten.

Het is moeilijk te begrijpen waarom deze twee doorgewinterde politici zich zo hebben laten gaan. Nogmaals, voor mij is dat boek een (h)erkenning van de juistheid van het pad dat jij en ik lopen, met bestemming ‘Federaal Europa’. Maar mensen die een Federatie Europa afwijzen – ofwel omdat ze daar gegronde redenen voor hebben, ofwel (zoals bij 99% het geval is) gewoon niet weten waar ze over praten – krijgen in de eerste drie-vier pagina’s van dat boek al zoveel klappen en schoppen, dat ze gewoon ophouden met lezen. Als een eigentijds ‘J’accuse …’, in de stijl van Emile Zola’s persartikel over de zaak van officier Dreyfus, beschuldigd van hoogverraad in het Frankrijk van meer dan een eeuw geleden, rekent ‘Voor Europa’ genadeloos af met iedereen die het in zijn hoofd haalt om de juistheid van het federale toekomstperspectief te bagatelliseren of te ontkennen. Het is twijfelachtig of juist die personen – voor wie immers de boodschap bedoeld is – een slag van 180 graden zullen maken. Het ligt meer voor de hand dat ze zich nog dieper ingraven in het intergouvernementele systeem. Waarom beide auteurs niet de moeite hebben gedaan om zakelijker te argumenteren is dus een punt van verwondering. Zij lopen nu ver voor de muziek uit, en kunnen niet zeggen dat dit komt omdat de anderen te langzaam lopen; ze geven die anderen geen kans om hen bij te houden of in te halen. Daarom heeft hun geschrift meer het karakter van een vlammend pamflet, dan van een bezonken boek.

Een ander punt van verwondering is het steeds terugkerend – ook in andere boeken van Verhofstadt – verkeerd gebruik van het woord ‘integratie’ of ‘geïntegreerd’. In ‘Voor Europa’ wordt herhaaldelijk de gewenste federalisering beargumenteerd vanuit de behoefte of noodzaak aan meer integratie van de lidstaten. Die claim zien we steeds ook bij anderen, onder meer, zoals al eerder geduid, in de
‘State of the Union’ van José Manuel Barroso. Nogmaals, integratie is een mooi begrip, maar je moet wel goed opletten waar en hoe je dat gebruikt. Zoals het in ‘Voor Europa’ aan de orde komt wekt het de suggestie van het oplossen, verdampen van individuele naties. En uitgerekend die uitstraling van het woord ‘integratie’ is een belangrijke bron van weerstand tegen federalisering. De auteurs hadden duidelijk moeten maken dat door de verticale scheiding in een federaal stelsel boven de blijvende soevereine bevoegdheden van de lidstaten een apart bevoegdhedencomplex komt te staan – niet hiërarchisch top down opererend zoals het geval is in het huidige intergouvernementele stelsel; maar elke laag zelfstandig opererend, waarbij de bovenste laag borg staat voor besluitvorming over zaken die een individuele staat zelf niet (langer) alleen kan waarborgen. Zoals het financieel-economische beleid, het buitenlands beleid, het defensiebeleid, en nog een paar domeinen. Jij noemde die al in Paper Nr. 15 onder het begrip exclusieve bevoegdheden. Daar, en alleen daar, voor dat federale niveau, mag men het woord ‘integratie’ gebruiken, in die zin dat domeinen die eerst door afzonderlijke staten zelf beheerd werden, voortaan in een federatie gemeenschappelijk worden verzorgd. De argumenten waarmee beide auteurs aangeven waarom afzonderlijke lidstaten in dergelijke beleidsdomeinen geen schijn van kans hebben tegen Amerika, India, Brazilië (allemaal federaties!) en China en enkele andere groeiende wereldmachten, waarvan de meeste federaties zijn, corresponderen overigens volledig met wat jij – waarde Tombeur – in Paper Nr. 9 al uitvoerig hebt geschetst.

Het verkeerd gebruik van het begrip ‘integratie’ weerspiegelt een ander punt van verwondering. Namelijk het nagenoeg ontbreken van enig standpunt of voorstel van constitutionele en institutionele aard. Zij leggen in het geheel niet uit wat een federatie juridisch en organisatorisch inhoudt. Dat is een ernstig gemis. Want juist door rustig en zakelijk uit te leggen waarin een federale organisatie verschilt van een intergouvernementele is het mogelijk om via de rede aanhangers voor een federaal stelsel te winnen. De enige passage van constitutionele en institutionele aard is hun pleidooi om meteen na de Europese verkiezingen van 2014 een Conventie samen te roepen met vertegenwoordigers en afgevaardigden van alle geledingen van de Europese samenleving. Met als doel de vorming van een Europese federale Unie. Als voorbeeld wijzen ze op de Conferentie van Philadelphia die in 1787 de losse confederatie van staten omvormde tot een hecht federaal samenwerkingsverband onder de naam Verenigde Staten.

Nu kan ik pas beginnen met mijn antwoord op je vraag hoe die Conventie van 1787 als voorbeeld zou kunnen dienen voor het federale Europa van morgen. Volgens mij maken Verhofstadt en Cohn-Bendit hier een strategische fout. Naar mijn mening moet die door hen beoogde Conventie niet ná de verkiezingen van 2014 bijeenkomen, maar juist vóór die verkiezingen. Dus al in 2013. De uitkomst van het beraad in die Conventie moet dé inzet van de verkiezingsstrijd zijn: voor of tegen, alles of niets. En de organisatie daarvan moet al in 2012 starten. Waarom? Om te voorkomen dat diverse plannen, ideeën, voorstellen en rapporten die nu bij personen als Barroso, Van Rompuy, Westerwelle en wie nog meer, in voorbereiding zijn onder het mom van federalisering in wezen nog meer intergouvernementalisering creëren. Als reeds in 2012 duidelijk wordt dat 2013 wordt beheerst door een Conventie die zich wijdt aan de constructie van een federaal Europa, bestaat er een kans dat de genoemde plannen – voor zover ze het intergouvernementele systeem verdiepen – in de wachtkamer worden gezet.

Nu de Conventie van Philadelphia zelf. Wederom een historisch perspectief als een best practice waarvan we zouden kunnen leren. Waarom organiseerde men die Conventie? Nadat een aantal Britse kolonies (dominions) zich in 1776 van Groot-Brittannië hadden bevrijd (afgesloten met Thomas Jefferson’s Declaration of Independence) gingen dertien Staten aan de slag om elk voor zich een eigen bestuurssysteem te creëren. Ze vormden een Confederatie onder een verdrag met de titel ‘Articles of Confederation’ (1777/1781) met het oogmerk gemeenschappelijke belangen samen te regelen. Echter, zonder boven hen zelf een apart orgaan neer te zetten dat voor die gemeenschappelijke besluitvorming zou zorgen. In de periode voorafgaande aan 1776 wemelde het al van honderden pamfletten, artikelen in dagbladen en andere geschriften over staatkundige zaken. Dat nam na het vaststellen van de ‘Articles of Confederation’ zelfs toe. Elke Staat ontwierp een eigen staatkundig systeem. In een beweging van ‘kolonie naar staat’ hopeloos verstrengeld in een wirwar van tegengestelde opvattingen en modellen.

Het was een vermoeiende, en vaak ontmoedigende zoektocht naar de basisprincipes en de voornaamste instellingen van een vrij bestuur. De veronderstelling dat ze na de onafhankelijkheidsstrijd voor zichzelf een bestuurlijk paradijs hadden geschapen – met een minimum aan staatkundige randvoorwaarden – viel in de praktijk zwaar tegen. Omstreeks 1787 hadden alle Staten diepgaande discussies gevoerd over de inrichting van zelfbestuur en die ook in praktijk gebracht. Zonder enige uniformiteit. Sommige Staten kozen voor een eenkamerstelsel, andere voor twee kamers. Enkele Staten introduceerden ook grondrechten, Bills of Rights. Na elf jaar experimenteren waren de bestuurlijke zwakheden duidelijk. Boven alles was er één majeur probleem: er was geen geld voor het financieren van zaken van algemeen belang. Het confederale Parlement kon wel geld laten drukken, maar dat had geen waarde. Geen van de confederale Staten betaalde op tijd of voldoende belasting. Er was geen gezamenlijke krijgsmacht ter verdediging van de Confederatie als een onafhankelijke staat tegen mogelijke vijanden. Men had alleen een losse verzameling slecht- of onbetaalde huurlingen. Na elf jaar confederaal doormodderen bleek uit niets dat het een trotse, gerespecteerde, onafhankelijke, soevereine natie was. Tijd om de koppen bijeen te steken.

Terzijde: een nadere analyse van de grote hoeveelheid zwakheden en tekortkomingen van het toenmalige confederale systeem zou duidelijk maken dat de Europese Unie van vandaag exact dezelfde fouten vertoont. Maar anders dan het geval was in Amerika – waar men er al na elf jaar achter kwam dat men de Confederatie moest inruilen voor een Federatie – sukkelen wij in Europa al sinds 1950 met het plakken van lekkende pleisters op de stinkende wonden van ons eigen Europese confederale systeem.

Na enkele mislukte pogingen in 1785 en 1786 om een gemeenschappelijk beraad te organiseren verzamelde zich – op initiatief van onder anderen James Madison, Alexander Hamilton en George Washington – in mei 1787 in Philadelphia een groep van vijfenvijftig personen als gedelegeerden van de twaalf van de dertien confederale Staten. Hoe heterogeen hun kennis en ervaring met staatkundige principes ook was, op enkele punten deelden ze min of meer dezelfde inzichten. Zoals de noodzaak van representatie en daarmee de verwerping van democratie als ‘iedereen mag meebeslissen over alles’. Ook aanvaardden zij de formule van James Madison, later door hem uitgewerkt in Nr. 51 van The Federalist Papers: “You must first enable the government to control the governed; and in the next place, oblige to control itself.” Dit laatste is het leidend motief geweest om de federale Constitutie als product van de Conventie van Philadelphia te beperken tot een ijzersterke vastlegging van de trias politica: de drie machten ten opzichte van elkaar in toom houden zodat geen van die machten een andere kan overheersen: die brengen liberty, nooit meer een overheerser.

De Conventie van Philadelphia moest debatteren over moeilijke theoretische problemen van staatkundige aard, terwijl de gedelegeerden nogal van elkaar verschilden: sociaal, etnisch, religieus en qua welstand. Ze huldigden ieder hun eigen opvattingen over de noodzakelijke omvang van de Confederatie, buitenlandse betrekkingen en handel, scheiding van kerk en staat, privé-eigendom, landspeculatie, slavernij en staathuishoudkunde. Daarom is het des te meer opmerkelijk dat tijdens die Conventie een omslag van 180 graden plaatsvond. Zij was bijeengeroepen om het bestaande confederale verdrag van de ‘Articles of Confederation’ te amenderen, met de bedoeling de Confederatie sterker te maken. In plaats daarvan besloot de Conventie al in juni 1787 – op voorzet van James Madison – om een geheel nieuw, federaal systeem te ontwerpen.

Deze voorzet van Madison staat bekend als het ‘Virginia Plan’, omarmd door de grotere Staten. Het leunde sterk op de ideeën van John Locke (een overheid moet draagvlak onder de burgers hebben) en op die van Montesquieu (je moet de drie machten scheiden). De aanwezige vertegenwoordigers van de kleinere Staten zagen dat plan als een staatsgreep en probeerden deze te keren met een tegenvoorstel, bekend geworden onder de naam ‘New Jersey Plan’. Die tegenzet faalde echter, in die zin dat partijen elkaar vonden in het zogeheten ‘Great Compromise’ van 6 juli 1787. Dat leidde tot het gezamenlijke besluit dat er een federaal staatssysteem zou komen, met een Lagerhuis dat borg zou staan voor de representatieve democratie door middel van een Huis van Afgevaardigden naar rato van het aantal inwoners per Staat, en een Hogerhuis met twee vertegenwoordigers per Staat, dus niet gekoppeld aan de bevolkingsomvang van de Staat. Daarna ging het snel. Binnen enkele  weken bereikte men overeenstemming over de bevoegdheden van de drie machten, over de verkiezing van de President, over de inrichting van het gerechtelijke systeem en over de manier van ratificeren van het ontwerp van de Constitutie.

Dit ontwerp lag al op 6 augustus 1787 op tafel. Zeer opmerkelijk daarin was de limitatieve opsomming van de bevoegdheden van de Huizen van het Congres. Dit is het moment waarop ik wees in de tweede alinea van deze Paper: de noodzaak om dit onderwerp te projecteren tegen de achtergrond van het zogeheten ‘subsidiariteitsbeginsel’ binnen de EU-verdragen. Dat principe houdt in dat je aan de lidstaten moet overlaten wat de lidstaten zelf het beste kunnen doen. En dus niet door Brussel. Terwijl het principe daarachter is gelegen in het motief om de soevereiniteit van de lidstaten zoveel mogelijk onaangetast te laten evolueerde het intergouvernementele EU-systeem in werkelijkheid naar een centralistische, hiërarchisch afgedwongen uniformiteit. Een kwestie van de regeringsleiders en staatshoofden in de Europese Raad. Ik ga niet herhalen wat hierover al is gezegd in vorige Papers. Het is voldoende om vast te stellen dat het principe van subsidiariteit, als het al ooit heeft gewerkt, in elk geval stierf bij de instelling van de Europese Raad. En daarmee ontstond de groeiende weerstand van burgers en politici tegen deze schending van het principe die in de praktijk leidt tot erosie van nationale soevereiniteit.

Terwijl deze systeemfout in Europa al honderden keren in vele jaren is bediscussieerd, hadden de gedelegeerden tijdens de Conventie van Philadelphia maar een paar weken nodig om het in de prullenbak te werpen. Wat was het geval? Het hierboven genoemde ‘Virginia Plan’ van James Madison bevatte een passage waarin aan het Congres de bevoegdheid werd toegekend “…… to legislate in all cases, to which the separate States are incompetent ……”. De gedelegeerden begrepen heel goed dat dit vrij spel gaf aan het Congres om op te treden als een supermacht, wettelijk bevoegd om elke wetgeving van de lidstaten te overrulen. In het debat over deze kwestie werd het concept van de noodzaak van verticale scheiding van machten geboren. Resulterend in het besluit om de bevoegdheden van de Huizen van het Congres te binden aan een limitatieve opsomming.

Dit, mijn waarde Tombeur, is Amerika’s equivalent van de door de Duitsers gewenste Kompetenzcatalog waarover jij het had in Paper nr. 15. En deze limitatieve opsomming moeten ook wij inbrengen in ons concept van een federale Grondwet ter vervanging van het principe van subsidiariteit dat eigenlijk nooit gewerkt heeft.

Terug nu naar Philadelphia. Van 7 augustus tot 10 september 1787 besprak de Conventie artikel voor artikel, lid voor lid, het ontwerp van die federale Constitutie. Veel tijd werd besteed aan de eveneens limitatieve opsomming van de bevoegdheden van de uitvoerende President, zijn relatie tot het Congres, en de wijze waarop die relatie via instrumenten als goedkeuring en veto procedureel vorm moest krijgen. Na 10 september zette een commissie zich aan het werk, onder leiding van Gouverneur Morris van Pennsylvania, om een finaal ontwerp te schrijven. Ondanks het gemor van een drietal gedelegeerden die zich er niet in konden vinden, tekenden negenendertig het ontwerp en stemden alle aanwezigen ermee in om het aan de burgers van de Staten voor te leggen.

Daarmee begon in oktober 1787 het traject van ratificatie van de Constitutie. De voornaamste pleitbezorgers van het ontwerp profiteerden in die periode van een handig gebruik van woorden. In onze tijd meer bekend als de inzet van perceptie als instrument om mensen te overtuigen. Voor en tijdens de Conventie van Philadelphia werden begrippen als ‘confederatie’ en ‘federatie’ min of meer als synoniem gebruikt. Het ontwerp van de Constitutie werd echter onder de exclusieve benaming ‘federalist’ naar voren geschoven waardoor degenen die nog steeds de ‘Articles of Confederation’ omarmden vanzelf ‘confederalists’ werden genoemd en vervolgens ‘antifederalists’. Een negatieve connotatie die heeft meegespeeld bij de – uiteindelijke – ratificatie van de Constitutie door de burgers van alle dertien Staten. Daar kwam bij dat het ‘federalist’ zijn gaandeweg werd vereenzelvigd met het zijn van de enige en waarachtige erfgenamen van de revolutie die de vrijheid had gerealiseerd. Bovendien wisten de federalisten – als effectief aspect van perceptie – burgers ervan te overtuigen dat met een stabiel en energiek federaal stelsel de Verenigde Staten zouden groeien, zowel in omvang, als in economische en in politieke macht. Dat is een juiste inschatting geweest.

Zoals ik in eerdere Papers uit de doeken heb gedaan zetten Alexander Hamilton, James Madison en John Jay zich aan het schrijven van vijfentachtig Papers ter explicatie en verdediging van de federale Constitutie. Gepubliceerd in New Yorkse dagbladen tussen 27 oktober 1787 en 2 april 1788. Hamilton concentreerde zich hierbij op de behoefte aan een energiek bestuur, op de macht van het parlement, op uitvoerende en rechtsprekende aspecten. Madison richtte zich meer op het uitleggen van het karakter van het federaal stelsel, en op de checks and balances tussen de drie machten. Zij schreven, zoals eerder vermeld,  onder het gezamenlijke pseudoniem Publius. De lezers wisten niet wie achter dat pseudoniem zaten. Het ontlokte federaal en antifederaal getinte krantenartikelen onder pseudoniemen als Brutus, Cato, Centinel, The Federalist Farmer.

In januari 1788 hadden vijf Staten het ontwerp geratificeerd. In mei waren het er acht, nog eentje te gaan voor het in werking kunnen treden van de Constitutie. In juni 1788 stond het aantal op tien, meer dan voldoende voor de inwerkingtreding in 1789. Wegens dit juridische feit besloten de drie overblijvende Staten, ondanks hun oppositie tegen de Constitutie, ook tot ratificatie. Vanaf mei 1790 dus alle dertien.

Laat mij nu terugkeren naar de oproep van Verhofstadt en Cohn-Bendit om na de EU-verkiezingen van 2014 een Conventie zoals die van Philadelphia in het leven te roepen. Ik onderstreep nogmaals dat dit al in 2013 moet plaatsvinden, als ultieme uitdaging aan de intergouvernementalisten in de aanstaande 2014 verkiezingsstrijd. Maar een Conventie zoals in Philadelphia lijkt mij niet verstandig. Een aantal mensen enkele maanden opsluiten op één plek is niet meer van deze tijd. Zeker niet als het de bedoeling is om de federalisering van Europa vanuit het volk te laten ontstaan en te laten ratificeren. Met behulp van de sociale media is het anno 2013 mogelijk om heel Europa te activeren. Kwestie van organisatie.

Voorts zou ik, in afwijking van de methode van Philadelphia, willen bepleiten dat het activeren van Europese federalisten in alle EU-landen niet tot doel moet hebben een federale Grondwet voor Europa te ontwerpen, maar een eerste ontwerp van zo’n Grondwet van alle kanten te becommentariëren en te verbeteren. Tot dat doel – waarde Tombeur – acht ik ons verplicht te doen wat Verhofstadt en Cohn-Bendit hebben nagelaten: duidelijkheid verschaffen over de constitutionele en institutionele aspecten van een federale Europese Grondwet door zelf zo’n Grondwet te concipiëren. Met de Amerikaanse Constitutie als best practice. En uiteraard ook die van Zwitserland. Jouw beschouwing daarover heb ik nog te goed.